home-pagina
Grote Markt 3 9300 Aalst   
info@aalst.be   
053 73 23 23    
foto Thuis in de stad





Tekst onleesbaar?



contacteer de stad Aalst

stadswijken en buurten: volksplaats

Een beetje historiek 
VOLKSPLAATS
Afbakening: Gentse Steenweg, Boudewijnlaan, Varenlaan, Peter Benoitstraat, Valerius De Saedeleerstraat, Sinte-Annalaan
 
Van meersen en broeken
 
Het ontstaan van de buurt rond de Volksplaats voert ons terug naar de middeleeuwen toen dit gebied een onderdeel was van de praterij Schaarbeek dat samen met de andere praterijen Mijlbeek en Nieuwerkerken en de stad Aalst het schependom van Aalst uitmaakten. De praterij Schaarbeek strekte zich uit over de gehele linkeroever van de Dender buiten de stadswallen.
 
’t Stad breidt uit
 
In 1802 was landmeter Petrus Martinus Marianus Rymbaut klaar met zijn land- en kaartboek van Schaerbeke, opgesteld in opdracht van de stad. Hij verdeelde Schaarbeek in drie wijken: ‘den Dender, de Nieuwbeke en de Vaerd’. De buurt rondom het latere Ezelsplein lag in de laatste wijk, meer bepaald in de gehuchten Schaubrouk en Groot Beekveld. De buurt bestond bijna uitsluitend uit landbouwgrond. Alleen op de Gentse Steenweg stonden enkele huizen waaronder de zeventiende-eeuwse afspanning Sinte-Anna, de achttiende-eeuwse hoeve en latere herberg ’t Quaet Rocklijf en verder nog enkele hoeven langs de Lindenstraat, aan de Puiteput en de Ledebaan.
In 1841 werd iedere gemeente verplicht om een inventaris aan te maken van alle officiële buurtwegen. In de Atlas der Buurtwegen uit 1845 is er sprake van de Sint-Annalos, de Schaubroeklos, het Eenegemwegsken en het Beekveldwegsken. Een los is een niet-openbare weg die toegang geeft tot een stuk land.
Het zou tot het midden van de negentiende eeuw duren vooraleer er in Aalst voor het eerst een hele wijk werd gepland en aangelegd en dan nog buiten de stadswallen en vesten. Na de verbreding van de Koolstraat in 1866 en de aanleg van de Dirk Martensstraat eind negentiende eeuw trok men begin twintigste eeuw een tramspoor tot aan de Gentse Steenweg. De buurtwegen tussen de Koolstraat en de Sint-Annaweg kregen in 1901 een heuse straatnaam (Klottestraat en Steenstraat). Net voor de Eerste Wereldoorlog ontstonden er straten tussen de Meuleschettestraat, Dirk Martensstraat en Ledebaan met als doel woongelegenheid te creëren. Ze werden genoemd naar beroemde Aalstenaars zoals Pieter Coecke, Jan-Baptist Wellekens, Joseph François Kluyskens, Cornelius De Schrijver, Romaan De Visschere, Guilielmus Caudron, Jozef Meganck, Vilain XIIII en Valerius De Saedeleer.
 

Ingang Bonner aan de Ledebaan

 
Nieuw kwartier aan den Gentschen steenweg
 
Reeds in 1910 dacht de toenmalige schepen van financiën, Romain Moyersoen aan een ring rond Aalst. In zijn concept had hij een stad voor ogen van 50.000 inwoners, een aantal dat klein-Aalst overigens nooit zou halen. Het eerste gedeelte zou de Brusselsesteenweg verbinden met de Gentse Steenweg via de nieuwe wijk rond het Burgemeestersplein. De uitvoering van het geplande stadspark en de Parklaan kwam in een stroomversnelling door de Eerste Wereldoorlog waar men de voor de aanleg tewerkgestelde arbeiders wou behoeden van tewerkstelling in Duitsland. De daarbij aansluitende lanen, de Leo de Béthunelaan en de Capucienenlaan, ‘die de grote baan van Brussel en Oostende’ zouden verbinden werden eveneens reeds voor de Eerste Wereldoorlog gepland maar pas in 1931 gerealiseerd. Ook voor de woonwijk tussen de Gentse Steenweg en de Ledebaan werd reeds in 1912 een eerste ontwerp van rechtlijningen goedgekeurd door de gemeenteraad. De Eerste Wereldoorlog betekende een eerste vertraging. Pas in oktober 1923 werd het definitief plan goedgekeurd.
In september 1927 was men klaar met het algemeen rooiingsplan voor de buurt: de noodzakelijke onteigeningen en de verwezenlijking van de plannen konden een aanvang nemen. Na de eerste onteigeningen in de Volksverheffingstraat bleef echter elke beslissing voor tien jaar achterwege waarschijnlijk te wijten aan de crisis van de jaren ’30. Het onteigeningsproces zou nog tot het midden van de jaren ‘40 aanslepen.
Burgemeester Frans Blanckaert kon op 12 april 1959 het eerste gedeelte van de Boudewijnlaan inhuldigen samen met de Sinte-Annakring en een handbalplein gelegen aan de noodkerk. De openstelling van het tweede deel met de overbrugging van de Dender en het rangeerstation Kerrebroek zou pas in 1977 volgen.
 
Elke straat een naam
 
Op de gemeenteraadszitting van 3 januari 1927 kregen vele straten een naam, ook het middenplein en omringende straten. Er werd onder andere gekozen voor Sinte-Annalaan, Asserendries en Volksplaats. Daaromheen de straten die de bewoners elke dag zouden herinneren aan deugden zoals de Naarstigheidstraat, Spaarzaamheidstraat, Vooruitzichtstraat en Volksverheffingsstraat. In 1930 kwamen daar nog de Welvaartstraat en de Bedrijvigheidstraat bij. De namen Roklijf en Korte Lindenstraat (gekend als Lindenstraat-Blok of in de volksmond Krokkellijf) werden toegekend in 1931.
In 1938 besliste het stadsbestuur om de verlengde Volksverheffingstraat en verlengde Vooruitzichtstraat af te schaffen en op te nemen in de bestaande Vooruitzichtsstraat en Volksverheffingstraat. Na de bevrijding van Aalst zou de Sinte-Annalaan omgedoopt worden tot Stalinlaan. Op vraag van sommige inwoners werd medio 1949 weer de oorspronkelijke benaming ingevoerd.
De Boudewijnlaan kreeg haar naam eind 1951, toen nog enkel voor het gedeelte van de Terlindendreef tot de Ledebaan. Het was een eerbetoon aan koning Boudewijn die dat jaar de troon besteeg.
 
Barakken en goedkope woningen
 
De woningnood in Aalst was na de Eerste Wereldoorlog zo mogelijk nog groter dan voordien. Het tekort aan huizen verdubbelde tot bijna 2.000. Eén van de oorzaken was dat er tijdens de bezetting nauwelijks huizen gebouwd waren. Maar de belangrijkste reden was wel de toename tussen 1920 en 1930 van de bevolking én van het aantal gezinnen.
Het Koning Albertfonds (KAF) was aan het einde van de Eerste Wereldoorlog begonnen met het fabriceren van houten barakken om de hoogste woningnood in de verwoeste delen van West-Vlaanderen te lenigen. Vanaf de jaren ‘20 werden die overgeplaatst naar fabriekssteden zoals Aalst. Op advies van het KAF kwamen ze vooral terecht aan ringlanen. Eind 1923 kwamen er een vijftal op de Sint-Annaweg (vanaf 1927 Sinte-Annalaan) in de buurt van de latere Arme Klaren en 22 in de Vooruitzichtstraat tussen de Volksverheffingstraat en de Bedrijvigheidstraat. Het Houten Dorp was geboren.
Eind 1928 werden alle barakken samen met hun inwoners verplaatst naar de Bergemeersen. De Samenwerkende Maatschappij voor Goedkope Woningen gewest Aalst kon er beginnen bouwen. Deze maatschappij, opgericht eind 1920, had de bouw, de verkoop en de verhuur van goedkope woningen en woonvertrekken tot doel. Voorzitter Romain Moyersoen verzamelde in de beheerraad naast burgemeester Felix De Hert ook enkele belangrijke industriëlen uit die tijd zoals Leon Geerinckx en Eugeen Moens de Hase.
Reeds in 1921 bouwde de maatschappij 88 woningen op rechteroever. Vier jaar later richtten ze 102 woningen op in de Sinte-Annalaan en de Naarstigheidstraat. Meteen werd een onderscheid gemaakt: aan de laan kwamen de burgerswoningen, de werkmanswoningen in de straat. Aan de andere zijde van de Sinte-Annalaan verschenen er in 1927 tussen de Vakschoolstraat en de Steenstraat 38 kleine huisjes. Twee jaar later waren de Volksverheffingstraat en de Spaarzaamheidstraat aan de beurt met 39 werkmanswoningen, in 1930 gevolgd door een tweede reeks burgerswoningen aan de Sinte-Annalaan en werkmanswoningen in de Vooruitzichtstraat. Verderop verrezen 82 werkmanswoningen in de Welvaartstraat, de Oude Gentbaan en Roklijf. Laatste in de reeks van werkmanswoningen opgetrokken voor de Tweede Wereldoorlog waren de Korte Lindenstraat en de Welvaartstraat. Hier en daar werden de monotone rijen werkmanshuizen doorbroken door er enkele te voorzien van dakkapellen die de mogelijkheid boden om op de verdieping een derde kamer te maken. In de nieuwe buurt waar voorheen zo goed als geen huizen stonden verschenen op amper zes jaar tijd 375 ‘goedkope’ woningen tegenover amper enkele tientallen gebouwd door particulieren.
 
Van Sinte-Anna naar de Luien Hoek
 
Zoals altijd en overal het geval is geweest, werden ook in de buurt rond de Volksplaats allerhande plaatsen van welluidende volkse plaatsbenamingen voorzien. Van sommige van die namen kon de herkomst vlug achterhaald worden, bij andere was dit iets moeilijker.
 
De Boelvaar Poef, gekend uit de boeken van Louis Paul Boon, is zo’n voorbeeld van een volkse plaatsbenaming waar we geen eensluidende verklaring voor konden terugvinden. Die benaming werd wel degelijk gebruikt door de buurtbewoners, maar er kon geen specifieke plaats bepaald worden waarop die benaming van toepassing was. Er is keuze uit: de Boudewijnlaan, de Gentsestraat, het einde van de Oude Gentbaan (één van de eerste sociale woonstraten), de Gentse Steenweg richting Vijf Huizen, de Erpestraat, de omgeving van de kapel van Sint-Apolonia of de Sinte-Annalaan. De meeste mensen situeren wel steeds de Boelvaar Poef in dezelfde omgeving, namelijk op het einde van de Oude Gentbaan, in de buurt van de Sint-Apoloniakapel.
 
Waar Sinte-Annalaan, Meuleschettestraat, Valerius De Saedeleerstraat en Ledebaan samen komen, spreekt men van de Puiteput. De eigenlijke Puiteput moet eerder aan de linkerkant van de Sinte-Annalaan, op de hoek met de Ledebaan gesitueerd worden. Daar zou een iets dieper gelegen poel of moerassige grond geweest zijn. Dit belette niet dat enthousiaste voetballers de omgeving van de Puiteput gebruikten als voetbalveld.
 
De Twiehaug is een plaatsbenaming voor de Sinte-Annalaan ter hoogte van de Vakschoolstraat, genoemd naar de twee hagen die er oorspronkelijk stonden. Reeds in 1911 was daar het speelplein van de Katholieke Turn- en Sportkring ‘Steun Geeft Moed’ gevestigd.
 
Wie van op de Gentse Steenweg de Sinte-Annalaan in rijdt, merkt rechts vooraan een reeks huizen op die vroeger bekend stonden onder de naam ‘de roet van Anneikes’. In 1905 liet Edmond Anné er 17 huizen bouwen en hoewel er reeds verschillende verbouwd werden en een andere gevel of een ander dak kregen, is die ‘roet’ in essentie nog steeds dezelfde als pakweg 100 jaar geleden.
 
Daarmee zijn we aanbeland op het Ezelsplein, of moeten we zeggen de Ezelspleinen? Er zou namelijk gesproken kunnen worden van het ‘oude’ en het ‘nieuwe’ Ezelsplein. Het ‘oude’ Ezelsplein zou te situeren zijn op de huidige Sinte-Annalaan, vóór de aanleg van de buurt einde jaren ’20. Rechtover café Den Appel aan het begin van de laan zou vanaf 1908 de nieuw opgerichte voetbalafdeling van het eerder genoemde ‘Steun Geeft Moed’ zijn voetbalveld gehad hebben. Zich omkleden deden de spelers in … café Den Appel. Na de uitbreiding van de buurt en de verbreding van de Sinte-Annalaan werd de naam Ezelsplein van toepassing op de Volksplaats. Nog steeds spreken de buurtbewoners daar over hun Ezelsplein, maar wanneer de vraag gesteld wordt waar die naam precies vandaan komt, volgt er meestal geen antwoord. Sommigen verwijzen naar de in 1930 gebouwde kloosterschool en het zogezegde lagere niveau van onderwijs dat er gegeven werd, maar deze verklaring is verre van historisch bewezen. Minder vergezocht – maar daarom niet juister – is de veronderstelling dat de naam Ezelsplein verwijst naar de verkoop van ezels.
Een derde mogelijke verklaring werd ons aangereikt door Karel Baert, directeur 3de departement van de stad Aalst. Volgens hem zouden de Aalstenaars net die naam - Ezelsplein - gekozen hebben als tegenreactie op de van hogerhand opgelegde ‘verheven’ straatnamen als Naarstigheid-, Welvaart-, Spaarzaamheid-, Volksverheffing- en Vooruitzichtstraat. Het tegendraadse karakter van de Aalstenaar zorgde ervoor dat pal in het midden van die nieuwe buurt met al die ‘deugdelijke’ namen geen Volksplaats maar een Ezelsplein ontstond. Ook Jan Louies wijst in die zin op bepaalde ironische karaktertrekken van de Aalsterse volksmens.
 
In de Vooruitzichtstraat, bijna op de hoek met de Volksverheffingstraat, stond jarenlang een boom waarvan we vermoeden dat het de Doornboom of het Doornboompje betreft. In een advertentie voor de Houten Dorp-kermis van 1949 werden grote feesten aangekondigd ter gelegenheid van de 300-ste verjaardag van de legende van het Doornboompje. Behalve dat er een kapelletje in die boom hing en dat de bliksem er ooit eens was ingeslagen, kon geen bijkomende informatie omtrent een legende rond die boom achterhaald worden. Bij wegenwerken in de Vooruitzichtstraat zou de aannemer de uitgeholde, in twee gesplitste boom per ongeluk verwijderd hebben. Zoals alle uitgeholde bomen in de streek stond ook deze gekend als ‘den boom van Jan de Lichte’, de beroemde en beruchte achttiende-eeuwse rover.
 
Naast het Ezelsplein is er nog zo’n benaming die af en toe nog eens gebruikt wordt binnen de buurt, namelijk het Houten Dorp. In de Vooruitzichtstraat en op de Sinte-Annalaan werden na de Eerste Wereldoorlog in totaal 27 noodwoningen of barakken gebouwd ten behoeve van noodlijdende Aalsterse gezinnen. Met de uitbreiding van de buurt verdwenen de noodwoningen in 1928, maar de naam bleef voortbestaan in het café van Gust De Man in de Volksverheffingstraat.
 
Voorbij het hof van boer Charles Meert in de Volksverheffingstraat lag een weide, de ‘mees van Boigorts’. De kinderen uit de buurt speelden hier vaak tot ongenoegen van boer Beygaert die de jongelingen meermaals dreigend achterna heeft gezeten. De boerderij van Beygaert was gelegen in de Lindestraat, rechtover het Roklijf.
 
Op Roklijf, tussen de Boudewijnlaan en de Welvaartstraat, waar lange tijd een kaartershuisje heeft gestaan, sprak men tijdens de jaren ’30 van de Luien Hoek. Het was immers daar dat de werklozen – die tweemaal daags dienden te stempelen – na hun namiddagcontrole samenkwamen en wat rondhingen.
 

Tekst afkomstig uit:

  • ARNOUTS Lieve, D’HERDT Danny, IGUAL-PACHECO Michel, LOUIES Jan, MEERT Jeroen en ROELANDT Hilde, Een ‘verheven’ buurt, Geschiedenis van het Ezelsplein, deel 1, Stad Aalst, Aalst, 2005, 24 p.    
    

 naar top van pagina dit artikel afdrukken

 laatst gewijzigd op woensdag 10 juni 2009

© 2010 stad Aalst