|
|
|
| Apotheek Breckpot | Wie naar de apotheek moet, doet dat meestal niet voor z''n plezier. Maar voor nostalgische zielen en liefhebbers van waardevolle architectuur is een bezoek aan apotheek Breckpot in de Esplanadestraat heerlijk sfeersnuiven. In 1994 werd de apotheek zelfs beschermd als monument.
Oorspronkelijk bevond apotheek De Valkeneer zich op de hoek van de Kattestraat en de Vrijheidsstraat. In 1885 verhuisde ze naar de Esplanadestraat 20, ten oosten van de Kattepoort (ingang van de Kattestraat), op de plaats waar ten tijde van de tweede stadsuitbreiding de vroegere noordelijke stadsvest en omwalling opgetrokken waren. In dat jaar kocht apotheker Valery De Valkeneer immers dit huis met uitgestrekte tuin, die langs de straatzijde met een muur aan het zicht onttrokken was. Dit gebouw werd opgericht tussen 1815 en 1845. Het komt namelijk voor op de atlas der buurtwegen, opgemaakt in 1845, maar niet op de 'platte grond der stad Aelst' uit 1815.

foto Frank Bollaert
V.VAK-prijs
In 1944 kwam de apotheek in bezit van Robert Van Ongevalle, later werd ze eigendom van de heer en mevrouw Van De Maele-Breckpot, die de apotheek in 1997 lieten restaureren. De vormgeving van het winkelpand werd gerespecteerd en het oude neoclassicistische meubilair werd gedecapeerd en bleef zo gehandhaafd. Achter de toog merkt men het typische meubel met de vele vierkante ladendeurtjes. De oude kleuren maakten van dan af weer de sfeer uit: het zijn vooral heldere tinten van lichtgrijs. Met de nieuwe verlichting en de glazen ingangspartij zorgt het interieur voor een lichtrijke en zelfs eigentijds aandoende sfeer. De restaturatie kreeg in dat jaar zelfs de V.VAK-prijs. Dat is een jaarlijkse prijs waarmee de Vereniging voor Aalsters Kultuurschoon (VVAK) waardevolle restauratieprojecten beloont.
Het Esplanadeplein, ooit de Kolenmarkt
Het plein dat ontstond noemde men vroeger, en nu in de volksmond nog, de Koolmarkt. De naam verwijst naar de wekelijkse groentenmarkt (vooral kolen) die er gehouden werd. Vanaf 1840 is er sprake van Esplanadestraat en vanaf 1845 spreekt men over het Esplanadeplein. Het plein won in de 2e helft van de 19de eeuw aan belang door het oprichten van een nieuwe kerk, de Sint-Jozefskerk, op de plaats van het verdwenen Hof Plafander en naar plannen van architect Joostens. De bouw werd destijds gevraagd door de bevolking die half tot de stad, half tot het platteland behoorde, maar te ver verwijderd was van de toen nog enige parochiekerk Sint-Martinus. De grondwerken vingen aan op 4 juni 1868. De nieuwe parochie werd gesticht op 22 april 1873 en het koor en de kruisvleugel werden opengesteld op 25 december 1874. Door geldgebrek duurde het echter vele jaren totdat de kerk verder afgewerkt werd. In juni 1908 bereikte de toren zijn voltooiing. |
| |
| Begijnhof | Het Begijnhof St.-Katherinen-Op-Den-Zavel
Algemeen:
De begijnenbeweging maakte deel uit van een mystieke stroming die West-Europa overspoelde in de 12de en 13de eeuw. Maar alleen in onze Lage Landen heeft zij de ketterijen overleefd waardoor deze genootschappen konden uitgroeien tot begijnhoven.
Vóór het onstaan van de begijnhoven ontstond de begijnenbeweging. Een begijn was eigenlijk noch een religieuze, noch een lekevrouw. Ze legden immers geen eeuwige geloften af, doch verbonden ze zich enkel door een belofte van gehoorzaamheid en kuisheid. Steeds kon een begijntje tot het burgerleven terugkeren en zelfs trouwen, al gebeurde dit uiterst zelden.

Ze leidden een ascetisch leven, stonden in voor hun eigen onderhoud door middel van hun handenarbeid (blekerijen, naaiwerk, borduren, kantklossen, vervaardigen van kinderspeelgoed, kaarsen, ...) en beleefden Gods boodschap in dienstbaarheid.
De meesten leefden tot de 13de eeuw verspreid in de stad, sommigen vestigden zich als kluizenaarster, alleen of met twee, drie, naast de kerken, hospitalen, kloosters. Ze kwamen steeds samen voor de gebedsstonden. Later gingen ze zich vestigen in een gemeenschap, een begijnhof.
Het begijnwezen heeft stichter noch stichteres gekend; zoals wel het geval is bij de kloosterorden (hoewel over het onstaan enkele betwisting bestaat).
Het is spontaan gegroeid uit een mystieke drang en kwam tevens tegemoet aan de sociale noden van het ogenblik. De talrijke oorlogen, familieveten en besmettelijke ziekten waren er de oorzaak van dat haast alle Europese landen af te rekenen hadden met een overschot aan huwbare vrouwen. Anderzijds waren er een groot aantal meisjes die geen huwelijkspartner vonden die aan de wensen van hun familie beantwoordde. De eerste begijntjes stamden uit de adel of uit de begoede burgerij. Ook weduwen verkozen vaak deze levenswijze.
Het Aalsterse begijnhof St.-Katherinen-Op-Den-Zavel situeert zich ten Z-O van de oudste stadskern Oude Vismarkt tussen de Pontstraat en een bocht van de sinds 1962 gedempte Dender. Gontran van Severen schreef over dit begijnhof: "zoals de meeste steden in Vlaanderen bezit ook Aalst een uitgestrekt begijnhof uit 1261".

Het betreft een particuliere stichting door een rijke burger uit Aalst, Wouter de Ghier en door zijn echtgenote Gertrudis. Ze plaatsten het onder bescherming van de H. Katherina.
Kort nadien nam Gravin Margaretha van Konstantinopel het onder haar bijzondere bescherming. Het begijnhof van Aalst kende een moeilijk begin wegens de vele hervormingen die de kerkelijke overheid gedwongen werd in te voeren, tengevolge van de decadentie der zeden die in het begin van de 14de en in het midden van de 15de eeuw optrad. Daarna kende het echter verscheidene eeuwen van rust en welvaart, namelijk vanaf het midden van de 15de eeuw tot de godsdiensttroebelen en vanaf de 17de eeuw tot het begin van de 20ste eeuw.
Na de Eerste Wereldoorlog begonnen de begijnen in aantal af te nemen en ze verdwenen helemaal na de Tweede Wereldoorlog.
De resterende gebouwen:
Het Begijnhof van Aalst, waarvan de laatste begijn in 1945 overleed, werd reeds in 1915 door de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen geklasseerd. Nochtans werd het bouwkundig erg aangetast omdat sociale woningen de huisjes van weleer kwamen vervangen. Slechts enkel het convent bleef bewaard en werden gerestaureerd, ook de kerk en de St.-Antoniuskapel bleven bewaard.
De St.-Katherinakerk: in 1787 (einde van het oud regime) werd besloten een nieuwe kerk te bouwen op de plaats van de oude begijnenkerk. Gedeeltelijk opgetrokken in zandsteen, is het een bescheiden hallenkerk geworden, vijf traveeën diep, met dorische zuilen tot steun.
De klassicistische stijl met tamelijk imposante toren straalt een koele monumentaliteit uit, die niet helemaal past in dit kader. Wel interessant is dat het hier gaat om een constructie die dateert uit een periode waarin de godsdienstige bouwbedrijvigheid helemaal stil lag.

De kapel van St.-Antonius van Padua (foto hierboven), in neo-barokke stijl opgetrokken boven het graf van begijn Johanna Dedemaecker, die in 1631 overleed in een geur van heiligheid.
Verder resten er de meer recente neotraditionele woonhuizen. Het woonhuis nr.1 dat dateert van 1878, en de huizen nrs. 41 en 42 welke wederopgebouwd werden in de 20ste eeuw.
Het laatste bezienswaardige gebouw betreft de voormalige pastorij, nu nr. 48. Het is een traditioneel gebouw in bak- en zandsteen en dateert van 1676. Hierin bevonden zich de ingangspoort van het begijnhof, opgetrokken in neogotische stijl. De plans van M. de Noyette voorzagen in een gevelaanpassing (of een volledige wederopbouw in neogotische stijl). Deze werden slechts gedeeltelijk uitgevoerd. Bewaarde 17de-eeuwse medaillons met diamantkopversiering zijn nog te zien onder de uitstekende dakrand. | |
| Begraafplaats | Wanneer keizer Jozef II op 26 juni 1784 een decreet uitvaardigt dat verbiedt binnenin de kerk te begraven, wordt dit te Aalst onmiddellijk gevolgd. Op 2 november wordt een 'stedelijk kerkhof' aan de Dendermondsesteenweg ingewijd. Het eerste lijk dat er ter aarde wordt besteld is dit van Marie-Johanna (‘Genemi’) Meert, en het wordt sindsdien door de Aalstenaar het Genemikens-kerkhof genoemd. Dit kerkhof, waartoe de kerk voor aankoop en inrichting een groot deel van het zilverwerk verkoopt, blijft in gebruik tot 1867.
De huidige begraafplaats op de Hoezekouter wordt op 4 februari 1867 ingewijd door de bisschop van Gent. De eerste begraving vindt er plaats op 16 februari en een eerste praalgraf wordt er opgericht ter nagedachtenis van Victor Lefebure (1867). Verscheidene grafzerken worden nog overgebracht van het oude kerkhof, waaronder dit van Corneille Eliaert-Cools. De Aalsterse uitdrukking ‘op de Zoutstraatpoort liggen’ wordt vanaf dan een veel gebruikt synoniem voor ‘dood en begraven zijn’, verwijzend naar de locatie van de nieuwe begraafplaats buiten de voormalige stadspoort aan de Zoutstraat.
Kort na de opening verrijzen aan de toenmalige achtermuur en langs de beide zijmuren opvallende arduinen monumenten van vooraanstaande Aalsterse families. Zij hadden tegen betaling een stukje grond in eeuwigdurende concessie gekregen.
Midden in de rechthoekige begraafplaats staat het inhuldigingsmonument met daarrond vroeger de graven van de ‘gewone’ Aalstenaars, het proletariaat en de kleine middenstanders, met een sobere zerk of gewoon een houten kruis op een heuveltje aarde. Deze bescheiden graven zijn natuurlijk al lang verdwenen…
In 1898 besluit de stad om het te klein geworden kerkhof uit te breiden en er wordt om hygiënische redenen ook een dodenhuisje opgericht, een gebouwtje met twee stenen tafels voor de lijkbezorging. Het kerkhof krijgt rondom tevens een nieuwe muur. De vergroting en ommuring worden afgewerkt in 1902. In 1948 worden de plannen goedgekeurd voor de bouw van een nieuw toegangsgebouw, dat wordt afgewerkt in 1953.
De gemeenteraad van 31 januari 1951 keurt de princiepsbeslissing goed om een nieuw kerkhof aan te leggen aan de Rozendreef te Aalst. De bevolking zou aldus de keuze hebben tussen twee verschillende begraafplaatsen, één aan elke kant van de stad. Een gedetailleerd plan wordt opgemaakt, maar uiteindelijk komt de nieuwe begraafplaats er niet en besluit men het bestaande kerkhof te vergroten.
Eén der meest majestueuze grafmonumenten is ongetwijfeld de zuil (1872) van de katholieke bankiersfamilie Liénart, opgericht op het toen pas 5 jaar bestaande kerkhof. Hier ligt onder andere ook Albert Liénart begraven die stierf op een moment dat hij een beloftevol politcus was binnen de toenmalige Bewarende Partij. Hij hield als volksvertegenwoordiger in 1866 een opgemerkte redevoering ter verdediging van de doodstraf. Door de stemming in de Kamer na deze tussenkomst werd de doodstraf dan ook behouden. Onmiddellijk na zijn dood kreeg hij een straatnaam (met het eerste Nederlandstalig straatnaambord van Aalst).
De monumentale zuilzerk wordt bekroond door een gesluierde vaas, reeds bij de Grieken en Romeinen een symbool voor de rouw. De vaas verwijst immers naar een urn, waarin de as van de overledene bewaard wordt. De sluier op de vaas symboliseert het afdekken van het leven.
Ook de arduinen lijkkistvorm vóór de zuil verwijst naar de dood. Boven deze kist zien we een gevleugelde zandloper, die de kortstondigheid van het aardse leven voorstelt. Let op de vleugels: links die van een duif, de dag, en rechts die van een vleermuis, de nacht: het leven vervliegt bij dag en bij nacht, bij goed en bij kwaad. Op het fraai bewerkte onderste deel van de zuil merken we tussen guirlandes en linten ook de omgekeerde fakkel op, bij de Grieken en Romeinen reeds een symbool voor de dood : het vuur, het leven is uitgedoofd. In de renaissance was dit eerder een teken van niet-kerkelijkheid: het uitdoven van het vuur suggereerde het einde van het leven zonder voortbestaan. Maar deze betekenis verzwakte, zodat het symbool nu ook op christelijke graven veelvuldig voorkomt.
In de guirlandes zien we eikenblad (symbool voor kracht en wijsheid en eeuwige roem), rozen (pure liefde) en laurier (hier als altijd groene plant, een symbool voor onsterfelijkheid). Wat hier duidelijk ontbreekt is het viooltje, symbool van de bescheidenheid.
Het uitgewerkte smeedijzeren hek is versierd met gietijzeren rouwkransen waarin een sierlijke letter L gevangen zit. De cirkelvormige kransen wijzen alweer op de eeuwigheid: er is geen begin en geen einde. De vlammen op de reling staan symbool voor zuivering en spirituele liefde. Ze verbeelden de bovenzinnelijkheid en de loutering van de ziel. De gietijzeren fakkels verwijzen naar hernieuwd leven: de wederopstanding na het laatste oordeel.
Rechts van het opvallende monument staan twee robuuste classicistische ‘cippes’ met alweer de omfloerste vazen bovenop. Ook deze zerken behoren aan de familie Liénart, maar zijn ouder. Met nog een aantal 19de-eeuwse zerken, veelal gekapt door steenhouwer Meganck op het Keizersplein, vormen ze een samenhangend, karakteristiek geheel langs de zijmuur van de begraafplaats.
Het monument van de bekende landschapsschilder Valerius De Saedeleer (1867-1941) is ook heel opvallend. Hij werd eerst te Etikhove begraven, maar werd twee jaar later naar Aalst overgebracht, naar de wens van de overledene zelf.
De asymmetrische modernistische stèle (grafzuil) met de platte zerk ervoor, is een schenking van het Aalsterse stadsbestuur.. Het ontwerp is van stadsarchitect Triphon De Smet en werd uitgevoerd door steenhouwer Verhulst en beeldhouwer Huylebroeck. Het bronzen bas-reliëf met het portret van de kunstenaar is een werk van Gustaaf Van der Meersch, directeur van de stedelijke kunstacademie. De fraaie smeedijzeren tak, uitgevoerd door kunstsmid J. De Motte, is alweer symbolisch : de rozen voor liefde, de papaver voor slaap in afwachting van de wederopstanding en de palm voor de overwinning, hier in de zin van een gelukkige voleindiging van het leven of de overwinning op de dood. De Saedeleer had na een bohémien-leven immers rust gevonden in het christelijke geloof.
De begraafplaats biedt een schat aan verhalen en is rijk aan symboliek. De stad heeft in samenwerking met de Sectorale Deelraad Cultureel Erfgoed al die informatie netjes gebundeld in een fraai brochuurtje. Een uitgestippelde wandeling voert de bezoeker langs architecturale en monumentale parels uit het Aalsters verleden. Het is te koop in de museumshop (Oude Vismarkt 13) en in het toeristisch infokantoor (gebiedshuisje, Grote Markt) tegen de luttele prijs van 5,- EUR.
| |
| Borse van Amsterdam | Gebouw in bak- en zandsteen, opgetrokken tussen 1630 en 1634 in Vlaamse laat-renaissance op de plaats van het vroegere Vrije Vleeshuis. De naam verwijst naar de afspanning op de handelsroute Rijsel-Amsterdam.

| |
| Danszaal Gillade – Louis D’Haeseleerstraat | De Groenen Hof
Reeds in de 19de eeuw was de zaal van Jean Gillade (Wantjen Geladen) in de Hoogstraat, toen gekend als De Groenen Hof, een der meest gekende danszalen van Aalst (tot 1783 had die plek deel uitgemaakt van de moestuin van het Theresianenklooster aan de Pontstraat, dat na onteigening onder Jozef II verkaveld werd).
Samen met een tiental andere uitbaters van grote zalen richt Jean Gillade in 1904 een brief aan het toenmalige stadsbestuur om gedurende de winter 9 dansavonden méér te mogen inrichten dan de ongeveer 8 (op kermisdagen) toegelaten dansavonden, daar de feestvierders anders naar … Dendermonde zouden trekken!
De Groenen Hof was een ruime zaal met banken tegen de muren en een lang ‘pich pine’ buffet met porseleinen pompen waaruit bier van Burny, bleek en stout, stroomde. Elke zaterdag was er café-chantant met de Gentse komiek Pillule, die Charlot nadeed, zangeres Lily en het zangerspaar Prost en zijn vrouw. Na het optreden werden de zitbanken opzij gezet om de dansvloer vrij te maken.

architectenbureau De Bruyn - fotograaf Michel Coen
De ziel van Gillade
Het orgel had tot in de jaren ’20 geen elektrische aandrijving, zodat door Schelen Arthur of Jimpie de Zjieper de hele avond gedraaid moest worden. Ook Jaak ‘Sloef’ Ottoy draaide het orgel. In ruil kreeg hij eten en slaapgelegenheid, maar zijn drinkgeld ging hij elders opdoen. Hij werd de ziel van Gillade genoemd. Zoon Staaf Gillade zorgde als orgelmaker voor de reparaties. Het orgel werd ook geregeld uitgebroken voor kermissen, zoals voor in de spiegeltent bij Manke Tinne in Nieuwerkerken. Per dans moest een koppel 10 centiem betalen aan de ‘rondkomers’, de dochters Iréne en Palmyre, die de recette in een ton gooiden waaruit de uitbaters konden grabbelen als ze zelf eens op zwier gingen. Achteraan
op een podium stond het orgel, met links daarvan een dubbele glazen schuifdeur die toegang gaf tot het terras met daarachter de tuin, de groene hof, die paalde aan de toenmalige achterkant van de middelbare meisjesschool. Na het overlijden van Jean Gillade in 1904 blijft zijn weduwe, Marie Modderie, beter gekend als Mieke Gillade, met succes de zaal verder uitbaten. Ook na de eerste wereldoorlog blijft het orgel -en de hele zaak- goed draaien.

architectenbureau De Bruyn - fotograaf Michel Coen
Folies Bergère
In 1923 -75 jaar geleden- beslist de uitbaatster onder impuls van haar schoonzoon Jean Van Den Broeck en de twee dochters Palmyre en Irène een volledig nieuwe zaal te bouwen. Daardoor verdwijnt de tuin en dus ook de oude naam van de zaal: ze kiezen voor Folies Bergère, naar het beroemde Parijse voorbeeld en het volkstheater aan het Brusselse Noordstation met de zelfde naam.. Het zal een art-décogebouw worden. Deze stijl wordt vooral aangewend in cinema’s voor stomme film en danszalen voor charleston, waar luxe even de alledaagse miserie doet vergeten. Als het in Parijs regent, druppelt het in …Aalst.
Jules Lippens, architect van het temperament.
De bouwplannen worden getekend door de niet onbekende Gentse architect Jules Lippens en in maart 1924 goedgekeurd door het schepencollege. De voorgevel wordt gestileerder uitgevoerd dan het één jaar oude plan. De symmetrische cementen gevelopbouw met bloembanden en geometrische motieven rond de strakke erkers is typisch voor de eerste periode van Jules Lippens. Die vier erkers springen opvallend -bijna agressief- naar voor en ook het grote steekboogvenster trekt de aandacht. Pas daarna komt de hele, harmonieuze kracht van de gevel tot uiting. Ook met deze gevel bewijst Lippens zich dus als ‘architect van het temperament ‘(Batir, januari 1935). Vanaf 1928 zal Jules Lippens ,onder invloed van de Nederlandse architect W.M. Dudok, de asymmetrische baksteenarchitectuur van het Kubisme en de Nieuwe Zakelijkheid zal overnemen.
Openbaarlijk te koop
Op 16 november 1924 houdt de N.S.B. (Nationale Strijdersbond) in de Folies Bergère reeds een feest ten voordele van de oorlogswezen. Maar slechte afspraken met de aannemer (waaruit betalingen voor niet uitgevoerde werken voortvloeien) en een proces met de rentenier Boyé over een gemeenschappelijke scheidingsmuur leiden in september 1925 tot financiële problemen. In maart 1926 wordt de zaak failliet verklaard. De zaal ‘bevattende drie groote ingangsdeuren, ingangsplaats, winket, drij bufetten’ wordt ‘openbaarlijk’ te koop aangeboden: ‘Dezen eigendom gansch nieuw is gebouwd in ciment en is gevloerd met mozaiek, behalve de zaal die voorzien is van een plankenvloer. Hij is ook voorzien van elektrieksche verlichting en van twee ventilateurs’. De instelprijs op de laatste zitdag is 80.000 frank. In april 1927 koopt de Aalsterse textielfabriek ‘de Viscose’ het pand en gebruikt het als feestzaal en lokaal van de ‘Fanfare Viscose’. Tijdens de mobilisatie (1938-40) werden er opgeroepen soldaten gehuisvest. Gedurende de tweede wereldoorlog huurt de stad de zaal voor een symbolische frank om er bedeelde Winterhulp soep te laten bedelen in het ruime ingangsportaal. Men moest wel zijn eigen kroes meebrengen!
Later verwerft de fabrikant Adolf Van Laethem (Pijpken) de zaal. Hij richt er een atelier in voor het vervaardigen van haarnetjes, dat tot een passementwerkerij uitgroeit (gordijnenkwasten e.d.).Pijpken is een goede patron, die geregeld op de hoek rechtover zijn atelier kersen koopt “voor de maskes”.

architectenbureau De Bruyn - fotograaf Michel Coen
Stadsschouwburg
In 1946 koopt het schepencollege van Aalst de zaal voor 1.800.000 frank, om er voorlopig een stadsschouwburg (ter vervanging van de gesloopte op de Hopmarkt) in onder te brengen, om de toneelverenigingen op enigszins waardig peil hun culturele activiteiten te kunnen laten voortzetten, in afwachting van een nieuwe, moderne schouwburg. Op de volgende gemeenteraadszitting is er heel wat kritiek op deze onverwachte aankoop. De oppositie laakt de ongeschiktheid (o.a. de vermeende slechte akoestiek) voor toneel van de zaal, terwijl de meerderheid de troeven van het pand naar voor brengt: nog voor enkele maanden in orde gebracht, heeft deze zaal verwarming, een buffet, kleedkamers en een scène met daaronder cabienen. Het balkon kan gemakkelijk van 5 op 6 m gebracht worden. Bovendien komt er zo weer leven in de buurt, want er is weinig gelegenheid voor nering en tering… De glorietijd van de Hoogstraat als uitgangsbuurt is inderdaad voorbij. Het stadsbestuur, dat decennia lang gestreden heeft tegen de zedeloosheid der verderfelijke danszalen van de Hoogstraat, Waar men den nacht door tapt en schinkt/ En tot den morgen spoelt en drinkt/ En niets dan slechte lied’ren zingt/ En op een orgel danst en springt, dat stadsbestuur bezit nu de twee meest vermaarde zalen van die Hoogstraat.
Op voornoemde gemeenteraad wordt meteen een lening bij het Gemeentekrediet gestemd om de aankoop te bekostigen, maar toch komt er een kink in de kabel, want in 1949 maakt de Raad Van State de koop ongedaan omdat de stad nog steeds niet betaald heeft.

architectenbureau De Bruyn - fotograaf Michel Coen
Lyceum
Ten slotte zal het ministerie van onderwijs het pand verwerven ter uitbreiding van de rijksmiddelbare meisjessschool. In 1977 stelt het Gebouwenfonds der Rijksscholen voor de ‘krotwoningen die de wijk ontsieren’ aan de Hoogstraat te slopen. Gelukkig wordt enkel een eerste fase uitgevoerd: de twee oude danszalen mogen nog even blijven. In 1997 werd de zaal Gillade wegens haar historische en socio-culturele waarde als monument beschermd. Onmiddellijk vat het Lyceum het plan op de ontmantelde zaal volledig in haar oorspronkelijke toestand te herstellen.
Tien jaar later en dankzij de subsidies van de Vlaamse overheid, de Provincie en de Stad Aalst, maar niet in het minst dankzij de zware financiële bijdrage van de Scholengroep Dender van het GOI!, is de zaal Gillade in haar oude glorie hersteld. Zij doet nog steeds dienst als schoolrestaurant, gymnastiek- en feestzaal van het Lyceum.
met dank aan Jan Louies Aalst.be artikels
| |
| De onbekende troon | Momunent voor de Onbekende Vrijwilliger
| De jaarlijkse Vredesprijs van het comité 'Werken aan de vrede' ging in 2001 naar een fictief persoon, namelijk de Onbekende Vrijwilliger. Dit monument in de vorm van een hand wordt ook wel de onbekende troon genoemd. De mozaïeksteentjes die het kunstwerk kleuren staan voor alle verschillende vrijwilligers die zich overal ter wereld voor andere mensen inzetten. De onbekende troon bevindt zich aan het Hoveniersplein, vlakbij de Werkwinkel.

In onderstaande tekst geeft ontwerper Olivier Bras uitleg over zijn kunstwerk.
Van bij de aanvang van het ontwerp werd gesteld dat het 'beeld' een eenvoudige, eventueel vereenvoudigde figuratieve houvast zou meekrijgen: in elk geval herkenbaar. Tevens zou het niet enkel een kijkobject worden, maar een 'tastbaar' gegeven, met eventueel een interactieve, lichamelijke en/of geestelijk gewaarwording.
Het onderwerp
...heeft de symbolische betekenis van een hand of handen in de functie van een 'troon'.
De vorm en de inhoud
De handen komen (de hand komt) uit de oppervlakte (symbool van groeien) in de vorm van een 'zit'sculptuur.
De vorm moet symbool staan voor 'het op handen dragen'. De troon moet uitnodigend zijn om er plaats op te nemen.
De sculptuur wordt een functionele troon van eer- en dankbetoon op meerdere niveaus:
1. het niveau van de onbekende vrijwilliger: als hij plaats neemt op de troon -ook al is hij onbekend en onbemind- zal hij weten dat deze troon voor hem gemaakt is. Zal hij de ongekroonde koning zijn?
2. het niveau van de bekende vrijwilliger: de bekende vrijwilliger zal uitgenodigd worden om op de troon even plaats te nemen om hem -ter zijne eer en dank- symbolisch te huldigen. Het gebaar kan misschien een traditie worden om bv. iemand te huldigen die zich onderscheiden heeft met moed en zelfopoffering. Het kan ook ludiek: je nodigt een te huldigen vrijwilliger uit op deze plaats om hem met een gepast geschenk in de bloemetjes zetten.
3. Het niveau van de ongewisse vrijwilliger: de argeloze voorbijganger die zich aangetrokken voelt om even op een troon te gaan zitten zal zich misschien in een latere fase bewust worden dat ook in hem een vrijwilliger schuilt. Hij zit al op de troon avant la lettre. De troon fungeert hier als lokaas?
4. Het niveau van de onbekende hulpbehoevende: wie op de hand plaats neemt is misschien iemand die hulp nodig heeft?
5. De ongewisse hulpbehoevende: de argeloze voorbijganger die zich aangetrokken voelt om even op een troon te gaan zitten zal zich misschien in een latere fase hulpbehoevend zijn. Door de sculptuur is hij er zich van bewust dat er vrijwilligers zijn.
6. Van eenieder van ons en in het bijzonder kinderen. Zij zullen op de sculptuur kunnen klimmen, hangen, zitten, er op- en afspringen? Deze levende 'beelden' -op de hand gedragen door de zit-sculptuur- staan symbool voor het jeugdige, de hoop, de toekomst. Zij zijn de personificatie van alle niveaus.
Het materiaal
Afhankelijk van de financiële haalbaarheid wordt er gedacht aan twee mogelijkheden:
Brons: Handpalm/zitoppervlak: gepolijst (rein/zuiver, de geest, de hulde, de loutering, de dank, de puurheid, eerlijkheid koninklijkheid)
Buitenkant hand: ongepolijst, ruwer (het ruwe werk, de vele uren arbeid, de vrijwilligersdaad)
Eventueel, als het haalbaar is, zou de hand tevens kunnen bestaan uit een compositie of stapeling van handen op ware grootte;
Beton, afgewerkt met mozaïek: Handpalm/zitoppervlak en buitenkant hand in andere
textuur, motieven en/of kleuren
Olivier Bras 25 januari 2001

| |
| De oude vismijn | Toen de stedelijke vismijn van Aalst in 1992 definitief haar deuren sloot, kwam er een eind aan een lange sociale traditie. De vismijn gaf de kans aan vooral bejaarden en minder begoeden om tegen een aantrekkelijke prijs vis te kopen. Alle dagen werd er verse, rechtstreeks uit Zeebrugge of Oostende aangevoerde vis geveild. Als er minder publiek dan loten vis voorhanden waren, ging men gewoon aan de instelprijs verkopen.

Een stukje historiek
De precieze stichtingsdatum van de mijn is moeilijk te achterhalen. De Geschiedenis der stad Aalst van De Potter en Broeckaert vermeldt dat op 25 mei 1465 door de wethouders enige nadere bepalingen werden gemaakt voor het mijnen van de vis. Het is dus duidelijk dat er voordien al vis werd verkocht. Vis mocht nergens anders dan in de mijn verkocht worden en wie daar onwelvoeglijke taal gebruikte, kreeg niet alleen een fikse boete maar werd ook voor een jaar geschorst.
Bevoorrechte kopers in de mijn van Aalst waren de paters van Affligem. In een keure van 1521 werd bepaald dat zij vanaf de derde mand zoveel vis mochten kopen als er nodig was voor de alimentatie van het godshuuse ende convente. De vismijn was gesitueerd in de omgeving van de Dender, op de plaats die nu nog Oude Vismarkt heet. Daar werd in 1770 een nieuwe mijn gebouwd. In één van Jos Ghijsens’ werken over Aalst is er sprake van weer een nieuwe, overdekte vismijn die in 1892 werd gebouwd bij het Eiland Chipka, achter de Werfkapel. Deze werd verwoest in mei 1940. Na de oorlog gebeurde de verkoop op de overdekte botermarkt, maar toen de metalen constructie in 1953 werd afgebroken, verhuisde de handel naar de stadsmagazijnen in de Vrijheidstraat.
De laatste vismijn
In 1955 kreeg de Technische dienst opdracht om onder leiding van stadsingenieurs P. Deprez en A. De Greif aan een ontwerp voor de oprichting van een nieuwe vismijn te beginnen. De plaats van de inplanting werd de Houtkaai. De plechtige opening gebeurde op 18 juni 1957 en 2 dagen later ging de eerste vis over de toonbank. Tot aan de sluiting in 1992 werd er 4 dagen per week vis geveild. Hiermee was Aalst een unicum in ons land. Ook elders hadden stedelijke vismijnen bestaan zoals in Dendermonde, Sint-Niklaas, Antwerpen en Gent, maar die waren al vroeger verdwenen.
De vismijn had een degelijke accommodatie : een halfrond in het midden waar de verschillende soorten te kijk werden gesteld en een ruimte voor het publiek op 3 niveaus. Het aantal bezoekers liep echter eind de jaren tachtig steeds meer terug, waardoor de personeelskosten in verhouding te hoog opliepen. De pensioengerechtigde leeftijd van de vismijnuitbater was dan ook de aanleiding om definitief af te zien van de sociale dienstverlening die de vismijn gaf.
Het gebouw werd zonder evenwel grote veranderingen aan zowel exterieur als interieur grondig gerestaureerd. Momenteel doet het dienst als consultatiebureau voor Kind en Gezin.

| |
| De Werfkapel, Werf 4 | Elke Aalstenaar met het hart op de juiste plaats kent de Werf!
Hij weet dat het een verkeersplein is waar nogal eens chaos ontstaat als voor de zoveelste keer de St. Annabrug opengedraaid wordt en juist op een slecht moment want hij is haastig. Aalstenaars zijn meestal haastig…
Hij weet ook dat zijn cultureel centrum “De Werf” heet en dat hij er kan genieten van een cultureel spektakel of een andere manifestatie als onze Carnaval eraan komt.
Hij is ook verknocht aan zijn “kapelleken”waar hij al eens binnenstapt, nadenkt over serieuze dingen, hulp vraagt aan O.L.V ter Druiven of schuilt voor de regen... Want voor die Werfkapel heeft elke generatie die in Aalst rondliep gezorgd dat ze telkens heropgebouwd werd na de zoveelste verwoesting. Werf: een plaats waar schepen gemaakt werden of hersteld.
Inderdaad Aalst heeft ook een scheepswerf gehad in lang vervlogen eeuwen en daarmee begint onze “Werfkapel” haar geschiedenis.

Lang vervlogen eeuwen - onze Dender, een snelstromende waterloop, trad nogal eens buiten haar oevers en zette de ganse omgeving blank. In de bewuste zevende eeuw, liep het echt de spuigaten uit: de Dender maakte geen aanstalten om zich terug te trekken waar ze thuishoorde: namelijk binnen haar natuurlijke oevers. In diezelfde eeuw was het voor de H. Amandus een taak apart om de Aalstenaars het woord van God te verkondigen en hen te doen inzien dat bidden tot de Moeder Maagd hielp, als ze het maar lang genoeg volhielden… en dat deden ze. Plots dreef een Lieve Vrouwenbeeld op wijngaardbladeren op het onstuimige water. Iemand nam het uit het water, en zie de Dender kalmeerde en keerde braaf terug tussen haar oevers…Amandus verklaarde dit als mirakel en gaf opdracht een kapel te bouwen in de omgeving van die wilde onstuimige rivier… zo kwamen wij aan onze eerste Werfkapel. Wij zijn dan 681.
Maar onzekere tijden zijn er altijd geweest: in de 9de eeuw kwamen de Noormannen met hun snekken onze waterlopen opgevaren, brandden en plunderden en onze eenvoudige Werfkapel viel ook ten prooi aan deze onverlaten, maar het miraculeuze beeld werd tijdig verstopt en gered.
Rond 1360 echter zetten de Gentenaars de stad in lichterlaaie.
Het duurt ongeveer een 100 jaar vooraleer Aalst zich herstelde, maar de Vrije Schippers zetten hun schouders onder een nieuwbouw en in 1363 verrees weer een kapel dicht bij de Dender halfweg de toenmalige Molenstraat. Het miraculeuze beeld kreeg er een ereplaats.
Men noemde ze de Schipperskapel omdat de schippers voorzagen in het onderhoud van hun kapel. Gans de periode van het ancien regime waren broederschappen alomtegenwoordig. Dat was voor de kapel van O.L. V.ter Druiven niet anders en hoogstwaarschijnlijk valt de stichting van de broederschap te situeren na de heropbouw van 1363. Deze broederschap voorzag in de materiële middelen van de kapel. Zij zorgden er ook voor dat er telkens een vertegenwoordiging was in de jaarlijkse processies waarin de Erewacht – pas gesticht in 1903 - dan mee opstapte.
Een tweetal eeuwen later worden wij getiranniseerd door de Hertog van Alva en de Beeldenstorm slaat in alle hevigheid toe. Weer wordt er geplunderd en gebrand, maar het beeld van Maria wordt telkens gered.
In 1763 stelt men vast dat de kapel haar beste tijd heeft gehad; na afbraak volgt de nieuwbouw, aangevraagd in 1774, maar pas na 8 jaar komt in 1782, de toelating om te starten. Nog in hetzelfde jaar kon ze worden ingehuldigd met als kers op de taart de toelating van de aartsbisschop van Mechelen tot het celebreren van H. Missen.
Korte tijd later – wat is nu 10 jaar – krijgen wij de Fransen op ongevraagd bezoek: de Franse Revolutie waait over naar Aalst. De kapel wordt gesloten, maar dankzij de bereidwillige hulp van de Aalstenaars wordt het beeld van Maria opnieuw tijdig verstopt samen met de kunstschatten.
Tijd gaat vooruit en de jaren schuiven, oorlogen veroorzaken weer menselijk leed.
Tijdens WO I is dat niet anders: de bewegingsvrijheid wordt stevig ingeperkt o.a. door het verbod de processies te laten uitgaan.
WO II is echter een ander paar mouwen.
In 1940 10 mei rond 18u45 wordt de ganse omgeving rond de Molenstraat gebombardeerd door de Duitsers met verwoesting van de Werfkapel tot gevolg. Belgisch leger onvoorbereid op die inval, krijgt als opdracht de oprukkende vijand tegen te houden…18 mei kwam het bevel de “Filature “ – katoenspinnerij Jelie’s – in brand te steken en de brandweer kreeg als opdracht niet te blussen. Een tekeningetje hoeft er niet bij: brandende vlokken katoen vlogen in het rond en gans de beneden-Molenstraat stond in brand alsook de toegetakelde Werfkapel. Voor ontruiming was er geen tijd meer en het miraculeuze beeld was totaal verloren…
Devotie tot O.L.Vrouw ter Druiven zat zo diep dat reeds in 1941 een blok Slavonische eik geschonken werd en dat de heer Leopold Lemaître een beeld kon kappen naar bestaande foto’s van verloren gegane voorganger. In afwachting vond het beeld een thuis in onze St. Martinuskerk waar het op 25 maart ingehuldigd werd met een H. Mis en een Lof.

Gelukkig kwam in 1944 de verlossende bevrijding: de oorlog was gedaan!
Het toenmalige stadsbestuur zag de kans de omgeving te urbaniseren. Bij nader onderzoek bleek dat de Werfkapel toebehoorde aan de stad. Instanties verantwoordelijk voor de aanvraag van de oorlogs-schade deden het nodige en de Werfkapel zou heropgebouwd worden.
Het waren de architecten Stani De Neef en Alfons Singelijn die de opdracht kregen en de Aalsterse firma Peynsaert mocht als aannemersbedrijf de bouw verzorgen.
De verdere afwerking en versiering werden na een wedstrijd toegewezen aan twee gerenommeerde beeldhouwers namelijk Frans Lemaître die het kruisbeeld aan de buitenkant langs de Denderkant mocht vervaardigen en Marc De Bruyn. Die werd aangesteld voor het grif -en reliëfwerk op de buitenplinten van de toren en om het reliëfwerk te voorzien in de zijgevel langs de Molenstraat.
Marc De Bruyn heeft door zijn werk getracht de bouw te dienen. Aan de zuidzijde drie panelen in Euvillesteen. De stenen waren ingemetseld - en werden ter plaatse gesculpteerd.
De eerste stelt de Boodschap met de engel Gabriël aan Maria voor, de driehoek boven beide figuren is een symbool van de Goddelijke Drie-eenheid. Dit wordt gevierd op 25 maart, eveneens de feestdag van O.L.V.ter Druiven.
Het middenpaneel stelt de H.Amandus voor als bisschop van Maastricht; zijn staf doorboort de draak van het heidendom. De H.Amandus was de stichter en bouwer van de eerste kapel in 681.
Het derde paneel: St. Martinus, patroonheilige van de parochie en de stad.
Marc De Bruyn sleept ook het beeldhouwwerk van de wijwatervaten in de wacht. De wijwatervaten eveneens in Euvillesteen - en ter plaatse gekapt, stellen voor: rechts: de H. Maagd met een overlopende kruik van genaden; links: het Lam Gods met de vier genadestromen die naar de vier windstreken uitvloeien.
Het grifwerk onderaan de toren aan de noordzijde: St. Amandus in Benediktijnenpij. In Aalst zijn ze bekeerd, hij kan de streek verlaten maar de bewoners treuren.
Bovenaan rechts betaalt een schipper zijn tol terwijl de tollenaar de boeg van het schip vasthoudt; deze tol voor de kapel was verplicht!
Aan de voorzijde komt midden de overstroming het beeld op druiventakken aangespoeld. De storm wordt gesymboliseerd door golven die een eik meesleuren.
Binnen werd de Kruisweg – het lijdensverhaal van Christus – eveneens uitgevoerd door Marc De Bruyn in glasmozaïek. In de Kruisweg-nis staan de drie kruisen symbool voor de kruisen op Golgotha.
Het altaar stijlvol en eenvoudig van lijn en uitgevoerd in Zweeds graniet. Het tabernakel in koper met zes kandelaars. Daar boven - op een stenen sokkel - troont het beeld van de Koningin van de Werf.
De glasramen langs de zuidzijde eveneens ontworpen door Marc De Bruyn werden uitgevoerd door Theo Meersman en hebben eigenlijk hetzelfde onderwerp als de drie reliëfs op de buitenmuur.
Om te herinneren dat het ooit de kapel was van het schippersgilde werd in het raam aan de voorgevel een schip uitgewerkt, gedragen op de schouders van de Erewacht.
Het klokje, vervaardigd door Michiels uit Doornik, werd ooit betaald door een zogenaamde koperslag: allerlei resten van koper, lood, zink, oud ijzer, goud en zilver geschonken door de bevolking om de magere kas van de Broederschap te spijzen.
De kapel werd ingehuldigd op 8 april 1956.
T.B. 2008.
(Met dank aan de mensen die mij hielpen om deze tekst te brouwen:
zij dragen de Werfkapel in hun hart!)
| |
| Gebouwen van de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM) | Dr De Moorstraat 24-26
| In 2003 bouwde de Vlaamse Milieumaatschappij in Aalst een nieuw kantoorgebouw. Het hele project werd opgetrokken volgens de duurzame en ecologische principes die de laatste jaren steeds meer hun opgang vinden vanuit een groeiend milieubewustzijn. Het duurzaam bouwen manifesteert zich op verschillende niveaus: de keuze van het bouwterrein, de afweging tussen nieuwbouw en renovatie, de keuze van ecologische bouwmaterialen en een duurzame energie.
De keuze voor duurzaam bouwen blijkt hier ook uit de precieze afweging over het behoud of de afbraak van het oude hospitaal Sint-Lieven. Het gebouw stond al jaren leeg en bleek uiteindelijk te ver afgetakeld om te renoveren of te integreren in een nieuw project.
De oude pastorie van het hospitaal, gebouwd in 1891, leende zich wel voor restauratie. Dit gebeurde dan ook zorgvuldig en de oude pastorie kreeg een nieuwe bestemming als bibliotheek / milieukenniscentrum en behoudt zo haar publieke karakter.
Ook de oude tuinmuur en de meer dan honderdjarige kastanjeboom bleven behouden.
De kastanjeboom draagt een kunstwerk van Patrick Van Caeckenbergh. Het medaillon symboliseert de mens die eerst in verlegenheid wordt gebracht door de schoonheid van de natuur rondom zich maar die, als hij diep genoeg in zichzelf durft te kijken, ontdekt dat hij zelf een stuk van die natuur in zich draagt.
Het nieuwe gebouw is ontworpen als een open skeletstructuur voor een maximale flexibiliteit.
Qua materialen werd geprobeerd een bestaand materiaal een tweede leven te geven. Zo werd het puin van het oude hospitaal afgevoerd naar een breekinstallatie, waar het werd gemalen. Een deel ervan is teruggekeerd als werfverharding en een deel werd gebruikt als betonvloer. Dat laatste was toen een primeur voor België.
Dat recyclage en esthetiek hand in hand kunnen gaan, bewijst de puintuin van de VMM. Daarin vind je enkele herkenbare ornamenten van het vroegere gebouw.
Bij de keuze voor hout voor de ramen ging de voorkeur naar hout met FSC-label (Forest Stewardship Council). Dat betekent dat voor elke gebruikte boom er een nieuwe wordt aangeplant en dat de houtkap wordt gecontroleerd.

Het werd een energiezuinig gebouw zonder airconditioning, met een minimale CO²-uitstoot. Om het gebouw in de zomer af te koelen gaan de ramen ’s nachts automatisch open zodra de buitentemperatuur 5°C lager is dan de binnentemperatuur. Daartoe staat op elk raam een motortje. Via de trapkokers wordt de koele nachtlucht aangezogen, slaat zich op in de betonstructuur en komt overdag weer vrij. Tevens circuleert er regenwater uit de regenput door de buizen van de vloerverwarming. In de winter verliest het gebouw weinig warmte doordat het super geïsoleerd is. Daarenboven wordt ook aandacht besteed aan de gezondheid van de VMM-medewerkers en wordt continu verse lucht, aangepast qua luchtvochtigheid en temperatuur, aangevoerd via een ventilatiesysteem.
Ook duurzaam omgaan met water is hier topprioriteit. Overtollig regenwater wordt opgevangen in een put van 250m³ en wordt gebruikt voor de spoeling van wc’s, de schoonmaak, het onderhoud van de planten en voor de koeling van de gebouwen.
Op de platte daken werd bovendien een groen dak geplaatst, zodat bij neerslag een deel van het water vastgehouden wordt. Groene daken zorgen ook voor extra isolatie en zuiveren de lucht.
Het gebouw werd in 2005 bekroond met de Prijs Bouwheer van de Vlaamse Regering (categorie geïntegreerde opdracht) en de Belgian Building Award voor Architectuur.
| |
| Herenhuis Van Mol | In de Vrijheidstraat nummer 53 vind je het huis Van Mol. Dit imposant herenhuis is gebouwd op het einde van de 19de eeuw. De huidige eigenaar, notaris Olivier Van Maele, voert momenteel doorgedreven restauratiewerken uit aan het monumentale pand.
Vrijheidstraat
De Vrijheidstraat volgt grotendeels het tracé van de vesten uit het midden van de 15de eeuw die de Nieustraetpoorte en de Cattestraetpoorte verbonden. In 1762 werden de grachten van de versterking rond de stad gedempt en rond 1823 werd er de Maanstraat op aangelegd. Deze straat strekte zich uit van het huis Ch. L. de Waepenaert (huidige FOD Financiën, dienst Directe belastingen), aan het toenmalige Vredeplein tot de hoek Kattestraat. In 1836 werd de straat omgedoopt tot "Vrijheidstraat" omdat het toenmalige stadsbestuur dit "één van de mooiste straten van de stad" vond. Door het slopen van de huisjes langs de Korte Ridderstraat en het einde van de Vrijheidstraat ontstond tussen 1910 en 1927 de Vredeplaats. Het plein zelf werd pas aangelegd begin de jaren dertig. De uiteindelijke loop van de straat, zoals we die nu kennen, dateert van 1952 toen de rechtstreekse verbinding gemaakt werd met de Gentsestraat. Daardoor kregen de bewoners van de wijk Schaarbeke eindelijk waar ze al tientallen jaren om vroegen, namelijk een verbinding met het station en de Sint-Jozefskerk.
Herenhuis Van Mol
Het herenhuis Van Mol was oorspronkelijk een een half losstaande herenwoning met een grote tuin. In het rechterdeel van de oorspronkelijke tuin werd later een nieuwe woning gebouwd. Op die manier werd het pand een imposante rijwoning. De constructie uit het einde van de 19de eeuw is in baksteen en rondom voorzien van een plint in hardsteen.
In de kamer langs de straatzijde werden de plafonds voorzien van sierlijsten, stucwerk en plafondschilderingen. Hiermee werd de welstand van de bouwheren onderstreept. Verstoken doorgangen onttrokken de circulatie van dienstpersoneel en bewoners aan het oog van de bezoeker.

De bouwheer is vermoedelijk Philippe De Deyn-Jacobs, eigenaar van de gasfabriek aan de Gazometerstraat - nu Nestor de Tièrestraat - die aan de achterzijde van het herenhuis gelegen was. Vervolgens werd het gebouw bewoond door notaris Leon Limpens en huurde dokter R. De Cock het tussen 1940 en 1952. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden er in deze woning ook Duitse militairen ingekwartierd. Op de verdieping zijn daar nog subtiele sporen van overgebleven. In de kelder hadden de soldaten een tunnel gegraven die uitgaf in de tuin, waarschijnlijk om bij gevaar nog een vluchtweg te hebben. De tunnel werd tijdens de recente restauratiewerken wel dichtgemaakt. In 1953 kocht de heer Frans Van Mol-Redant het huis. Op dit ogenblik is het pand eigendom van de heer Olivier Van Maele die er zijn notariaat heeft in ondergebracht en die in het gebouw een doorgedreven restauratie uitvoert. | |
| Het huis de Liser te Herdersem | Het huis De Liser heeft een geschiedenis die teruggaat tot de tijd van de Verenigde Nederlanden. Ferdinand De Liser was een succesvol ambtenaar die in 1817 werd benoemd als belastingsontvanger met de vier Faluintjesgemeenten, Baardegem, Herdersem, Meldert en Moorsel als ambtsgebied .
Het jonge echtpaar De Liser vestigde zich in Herdersem en kocht een eigendom op de hoek van de Dendermondse Steenweg (nu Grote Baan) en de Kerkstraat (nu A. De Cockstraat). De oude gebouwen werden grotendeels afgebroken en het huidige huis werd gebouwd tussen 1817 en 1819. Van de oude constructie bleven enkele getuigen bewaard in het voormalig verblijf van het huispersoneel en de kelders. Overeenkomstig de status van de bouwheer werd het een ruim en statig herenhuis met vertrekken voor dienstboden, stallingen en een ruime voor- en binnentuin.

Opmerkelijke zolder
Het hoofdgebouw bestaat uit een bakstenen hoofdvolume van drie bouwlagen en vijf traveeën onder een leien schilddak. De bijgebouwen hebben twee bouwlagen en sluiten L-vormig aan bij de eigenlijke woning. Er is een binnenhof met hoogstammig fruit en vooraan een kleine voortuin afgeboord met ligusterhaag, rijkelijk voorzien van buxus of palmboompjes en recenter aangeplante linden.
Naast een prachtige vloer, enkele opmerkelijke schouwmantels en zeer oude kelders, heeft het huis een opmerkelijke zolder. De zolder, misschien het indrukwekkendste van heel het gebouw, is luchtig, net en goed verlicht en het reusachtige gebinte is gaaf bewaard gebleven.
Het gebouw werd op 4 april 1997 als monument beschermd en de geslaagde restauratie ontving in 2004 de prijs van de Vereniging voor Aalsters Kultuurschoon (VVAK). | |
| Het melkhuisje 1955-2005 | Het melkhuisje is een begrip in Aalst. Vraag aan gelijk welke Aalstenaar de weg er naartoe en je komt gegarandeerd in het stadspark terecht. Al 50 jaar lang is het melkhuisje daar de plaats bij uitstek om even tot rust te komen na een verkwikkende wandeling of jogging. Tijd om even terug te blikken.
Op zondag 22 mei 1955 waren ministers Edmond Leburton en Omer Vanaudenhove in het stadspark te gast om er het melkhuisje officieel te openen. Het nieuwe melkhuisje, toen nog met de naam ’d Hoeve, verving op die plaats het oorspronkelijke melkhuis uit 1916. Dit melkhuis, ook wel châlet of kasteelken genoemd, voldeed volgens de gemeenteraad van 30 september 1953 immers niet meer als ’moderne cafetaria’ en moest dus vervangen worden.
Incidentrijke opening De plechtige opening van het stadspark verliep allesbehalve vlekkeloos. Het was immers volop in de periode van de ’schoolstrijd’ en ministers Leburton en Vanaudenhove mochten dat aan den lijve ondervinden. Reeds vanop de Grote Markt had een grote massa zich verzameld om de ministers en het stadsbestuur uit te jouwen. De incidenten kenden een vervolg in het stadspark zelf. Ondanks de aanwezigheid van rijkswachten en ordehandhavers braken er relletjes los en vielen er gewonden. Lees meer hierover in het kadertje ’schoolstrijd’.

Brand in 1976 De bouw van het melkhuisje startte in 1954. Het melkhuisje werd voorzien van een rieten dak, er werd een minigolfterreintje aangelegd en er werden bootjes verhuurd op de ballonvijver. Vanaf 1 mei 1966 verdwenen de bootverhuur en het minigolfterrein uit het stadspark. Naast de verplichte en onbeperkte verkoop van melkproducten waren ook bieren, aperitieven, wijnen, koffie, thee, cola en limonades te verkrijgen, maar het aanbieden van volledige maaltijden was nog verboden. Op 22 mei 1976, exact 21 jaar na de opening dus, vernielde een brand een groot deel van het gebouw. De oorzaak van de ramp is nooit gekend. De brand was zeer hevig, vooral door het strooien dak dat zeer snel vuur vatte. Pas 2 jaar later volgde de officiële heropening. De stad liet het melkhuisje voor het laatst opknappen eind de jaren ’80. De totale kosten hiervoor bedroegen 828 420 oude Belgische franken. Bij deze laatste renovatie moest het rieten dak plaats maken voor dakpanbedekking.
.jpg)
Schoolstrijd De schoolstrijd was een lang aanslepend conflict tussen het gemeenschapsonderwijs en de katholieke scholen. Begin de jaren ’50 kwam dit tot een hoogtepunt toen minister Collard probeerde om de subsidies voor de katholieke scholen in te trekken. In 1958 zorgde het ’schoolpact’ voor het einde van de schoolstrijd door de wettelijke gelijkschakeling van beide onderwijsvormen. | | |
| Het Oud-Schepenhuis 'Belfort van Aalst' | Het Oud-Schepenhuis
Samen met het Oud-Hospitaal en de Sint-Martinuskerk behoort het Oud- Schepenhuis tot de meest waardevolle gebouwen van de stad.
In feite gaat het om een geheel van drie gebouwen, nl. het schepenhuis, de belforttoren en het gebiedshuisje. Het Oud-Schepenhuis beheerst de Grote Markt op unieke wijze. Het gebouw biedt een zeer waardevol overzicht van drie eeuwen profane bouwkunst in de Nederlanden.

Schepenhuis en belforttoren
Het in 1225 opgerichte schepenhuis van Aalst is het oudst bewaarde schepenhuis van de vroegere Nederlanden.
Het werd opgetrokken in Ledische zandsteen om de zeven Schepenen van het Land van Aalst toe te laten hun administratief en rechterlijk ambt naar behoren uit te oefenen.
De achtergevel toont een vroeggotisch profiel, kantelen en een trapgevel, terwijl de vensteropeningen van de benedenverdieping nog tot de Romaanse stijlperiode behoren. De ronde hoektorens versterken de rechthoekvorm van het gebouw en maken het slanker.
In het schepenhuis was tot 1650 ook een altaar ondergebracht waar dagelijks mis werd gelezen.
Toen de stad omstreeks 1380 verwoest werd door Gentenaren onder Lodewijk van Male, brandde het schepenhuis gedeeltelijk af. Alleen de oostgevel bleef gespaard. Men begon met de wederopbouw van de westgevel in 1407.
In de nacht van Aalst-kermis op 7 juli 1879 brandde na een vuurwerk een gedeelte van het Oud-Schepenhuis terug af.
De schade was aanzienlijk. De barokke bekroning van voorgevel, fronton en torentje werden bij de herstelling vervangen door een gotische constructie. De restauratie van de belforttoren werd het eerst aangepakt, maar de zonnewijzers werden niet meer aangebracht. De heropbouw van de voorgevel gebeurde pas in 1886.
De belforttoren zelf kwam er pas in 1460 en herbergt sindsdien de hogergenoemde beiaard .
Achthoekig van vorm dankt hij zijn sierlijk uitzicht aan de opengewerkte gaanderij met afgeschuinde hoeken.
Op de voorgevel van de Belforttoren prijken twee halfverheven beelden die de Graven van Vlaanderen en de Graven van Aalst voorstellen.
De zonnewijzer tussen de twee beelden was aanvankelijk zo oud als de belforttoren zelf. In 1600 werd echter een nieuwe zonnewijzer gemaakt die 80 jaar later door Jan Lippery opnieuw verguld werd.
De voorgevel bevat tevens het opschrift "NEC SPE, NEC METU"("noch door hoop, noch door vrees"), een herinnering aan de inhuldiging van Philips II als Graaf van Aalst (1555) die deze spreuk tot zijn leuze maakte.
De beiaard
De eerste beiaard werd in 1461 vervaardigd door meester Vranck uit Mechelen. Jan Zeeltman, ook een Mechelaar, goot de klokken. Het klokkenspel werd in 1714 helemaal vernieuwd door Jan Pauwels uit Gent en Jacob Page uit Geraardsbergen. Na de brand van 1879 werden de klokken hergoten en hun aantal van 38 naar 52 gebracht.
De kelders
Onder het gebiedshuisje bereikt men via 23 brede trappen de kelders van het schepenhuis die gemakshalve crypte genoemd worden, ook al dienden ze nooit als grafkelder. Oorspronkelijk waren het lange tijd folterkamers, maar in de loop der tijden kenden ze nog verschillende andere bestemmingen.
In 1778 leerde meesterkatoenspinner Frans De Smet er behoeftige kinderen spinnen. Nog later verhuurde het stadsbestuur de onderaardse ruimten aan kooplieden. Nu worden deze kelders gebruikt als tentoonstellingsruimte.
Uurwerken en uurklokken
Het uurwerk dateert van de 14de eeuw. In 1447 had de stad reeds haar eigen "horlogemeester". Jozef Bury herstelde het uurwerk in 1654. De uurklok, die vroeger in het torentje van het gebiedshuisje hing, werd alle dagen om 10 uur geluid door de torenwachter; men sprak dan ook van de aftochtklok.

‘s Nachts kondigde de torenwachter de uren aan met een hoornsignaal. Deze uurklok was tevens de oudste mechanische tijdsaanwijzer van de stad. Na verbeteringswerken omstreeks 1400 sloeg ze niet alleen het uur maar ook het halfuur. De klok bevond zich toen echter in de kerktoren, aangezien het schepenhuis de brandramp van 1385 nog niet te boven was gekomen en de herstellingswerken tot 1420 aansleepten.
Het gebiedshuisje Het gebiedshuisje, ook wel ’bretesque’ genoemd, ontleent zijn naam aan het oude gebruik waarbij de baljuw of de stadshouder er door de ramen voor het op de Grote Markt verzamelde volk de wetten afkondigde.
Ook de vorst zwoer hier te gelegener tijd trouw aan de gemeentevrijheden. Het oorspronkelijk gebouwtje werd in 1543 volledig afgebroken. Het gebiedshuisje zoals het er nu staat is een heel fraaie aanbouw uit de laatgotische periode. Vijf beelden tooien dit stenen relikwieschrijn van de vlamgotiek:
De Gerechtigheid met de weegschaal in de hand Karel V (het gebiedshuisje werd tijdens zijn leven opgetrokken) Het Kind van Aalst (Dirk, de laatste Heer van Aalst, gestorven in 1166) Pieter Coecke (hofschilder van Karel V) Cornelius De Schrijver (letterkundige en dichter, schreef in het Latijn). | |
| Hof te Putte | Hof te Putte te Meldert
| Aalst heeft her en der nog een uitgesproken landelijk karakter. Dit wordt geïllustreerd door enkele pareltjes van oude hoeven. Eén ervan is het "Hof te Putte", vlakbij het Kravaalbos, in de Putstraat 99 te Meldert.
Volgens sommige auteurs was hier reeds in de 12de eeuw een hof gevestigd, dat als rechtstreeks abdijbedrijf door de Abdij Affligem werd gebouwd, met name als ontginningskern voor de steenpoelen die zij in het Kravaalbos bezat. In elk geval spreekt men in 1424 van "ter wustinen prope Meldert cum lapicidina". Het werd dus "te woestijnen" genoemd, wat ongetwijfeld te maken heeft met de onherbergzaamheid van de streek, vermeld in de middeleeuwse teksten. De huidige benaming "te Putte" vinden we pas terug in 1604.
Omstreeks 1850 bestond het hof uit een woonhuis met een strooien dak, vijf stallen, twee schuren, vier schaapstallen, een bakoven, een neerhof en twee wagenhuizen.
In 1970 werd hier de eerste Pikkeling georganiseerd. Het huidige woonhuis dateert nog deels uit de 17de eeuw. Het interieur bevat twee gaaf bewaarde zandstenen schouwen in laat-gotische stijl van omstreeks 1630, oorspronkelijke zolderingen en een vloer in zwarte natuursteen. Er zijn ook nog twee haakse schuren uit de 18de eeuw.

| |
| Hof van Gijzegem | Op 6 kilometer van Aalst, in de Dr. De Cockstraat, ligt een prachtige 16de-eeuwse boerderij. De oude hoeve, die bij het kasteel van Gijzegem hoorde, is de laatste eeuwen de geschiedenis ingestapt als het "Hof van Gijzegem".
De oorspronkelijke naam en datum zijn niet gekend.
De middendeur draagt de datum "1688", die gegraveerd is in de bovendorpel. Die datum verwijst evenwel naar een restauratie, want de boerderij wordt in veel oudere documenten vermeld. Zowel de naamgeving als de ligging doen enigzins vermoeden rijzen dat het hier om een heel oude nederzetting gaat, mogelijk van Germaanse oorsprong, die zowel een agrarisch als militair karakter had. Het is mogelijk dat het een versterkte hoeve was, waarvan de bewoners tot taak hadden de oevers van de Dender of een veer over de Dender te beschermen.
De hoeve is sinds vijf generaties van de familie De Clippele. De 16de-eeuwse boerderij bevindt zich nog in ongerepte staat. De vele sporen van vakmanschap en goede smaak zijn nog duidelijk te herkennen. De stijl is gotisch. De paardenstal en de woonvertrekken zijn onder hetzelfde dak gebracht. Daardoor heeft de zuid-oost gerichte gevel een lengte van om en bij de 18 meter en wekt eerder een grootse indruk.
De verdeling van deuren en vensters in het aldus ontstane vlak is echter zodanig opgevat dat het gebouw niets van zijn gotische sierlijkheid inboet. Zeven vensters die gekanteeld zijn in witte Leedse steen en twee dakkapellen, die ook vensters bevatten, verstevigen nog die indruk in aanzienlijke mate.
De oorspronkelijke deurklopper werd in 1906 op de nieuwe deur geplaast. In de gang zijn nog altijd de rode vloertegels van weleer aanwezig en ook de indeling van het huis is nauwelijks gewijzigd. Er bevindt zich nog de schoorsteenmantel van de oorspronkelijke gotische haard, die een grootte heeft van 3,5 meter en die grotendeels intact is gebleven.
Op enige afstand van het hof bevindt zich, op de plaats van het gesloopte kasteel (1950), een heel grote villa. Enkel de toegangspoort uit 1730 is bewaard gebleven. Verder zijn de 19de-eeuwse kapel in het park en een overblijvend geheel van de orangerie nog bewaard.
De bossen rond het park zijn volledig gerooid en in cultuur gebracht. Al liggen het huidige kasteel en het hof er wat verlaten bij, toch kan iedere bezoeker zich gemakkelijk voorstellen hoe heel anders het vroeger moet geweest zijn, hoe de dorpelingen met een blik van ontzag naar de lange dreef moeten gekeken hebben, waar de heer en zijn hereboer woonden. | |
| Huis Bethune | De naam van politicus Leo de Bethune doet bij vele Aalstenaars wel een belletje rinkelen, al is het maar omwille van de laan die naar hem genoemd werd. Maar Leo’s oom Jean is echter ook geen onbekende. Jean Bethune was een geprezen architect. Onder meer het 19de eeuwe herenhuis Huis Bethune in de Pontstraat, is van zijn hand.
Alhoewel het herenhuis Bethune een wat middeleeuwse stijl lijkt te hebben is het pas gebouwd in 1875. Het is de neogotische vormgeving van de vermaarde architect Jean Bethune die misleidend werkt. Die ’Jan Gotiek’, zoals de bouwmeester ook genoemd werd, bracht de kerkelijke neogotiek van Engeland naar België. Toen zijn broer Paul Bethune trouwde met de dochter van een Aalsterse industrieel, liet deze tegenover de fabriek van zijn schoonvader dit herenhuis bouwen, zodat de kinderen in de winter gemakkelijk naar het Sint-Jozefscollege in dezelfde straat konden.
Familie De Vis
Eén van deze nazaten was Leo de Bethune, die later koning Leopold II zou steunen in zijn Congopolitiek en een tegenstander van de christendemocratische priester Daens zou worden. Het smeedwerk op de eiken deuren, de veelkleurige schouwen en de kleurrijke door Jean Bethune ontworpen glasramen in de trappenzaal zijn bewaard gebleven. Onder vele verflagen bevindt zich nog steeds de rijke muurbeschildering in vieux rose, warm groen, hemels blauw en bladgoud. In 1926 kocht de legendarische familie De Vis het huis van haar politieke rivaal. Omdat ze zelf niet van adel waren, kon De Vis geen eigen wapenschild over dat van de oude eigenaar schilderen. Op de plafondbalken in de tuinkamer hebben ze het wapenschild van de familie Bethune wel weggekrabd.
Uitbreiding Lyceum
In 1961 onteigende de Belgische staat het gebouw en de aanpalende tuin met prachtige beuken om het Koninklijk Lyceum uit te breiden. Thans wordt het nog dagelijks gebruikt door scholieren die in het spookachtige interieur les volgen. Ondertussen trachten leerkrachten, met de karige beschikbare middelen, de oude kleurenpracht van de wanden weer tevoorschijn te toveren. | |
| Kapel en refter van de zusters Sint-Vincentius a Paulo | Pachthofstraat, Gijzegem
| De congregatie van de Zusters van Sint-Vincentius a Paulo heeft zich sinds haar ontstaan gefocust op de zorg voor de armsten in de samenleving. De zorg voor haar gebouwen blijkt uit de vele restauraties. Deze locatie paste dus perfect in het thema van Open Monumentendag 2009: 'ZORG'. Op andere momenten zijn de kapel en de refter echter niet open voor publiek.
Barones Elisabeth de Robiano (1773-1864) was een sociaal voelende vrouw die het lot van de vele armen en vooral de kinderen wou verbeteren.
Hiertoe stichtte ze in 1818 de congregatie van de Zusters van Sint-Vincentius a Paulo en startte met een spinhuis of armenschool in de Dorpsstraat te Gijzegem. Sint-Vincentius a Paulo en zijn “Dochters van Liefde” stonden vanaf het begin model voor de congregatie.
De school werd echter al vlug te klein en in 1820 bouwde men het klooster in de Pachthofstraat. De activiteiten van de congregatie breidden zich ook voortdurend uit. Na het bescheiden begin waren de zusters 20 jaar later reeds actief in 3 armenscholen, 5 werkplaatsen, 10 lagere scholen, 2 bewaarscholen, 3 zondagsscholen en 1 naaiwerkplaats.
In 1896 vertrokken de eerste Zusters naar Brazilië, in 1930 naar Kongo. In 1987 volgde nog een missie in Kameroen en later in Argentinië. Op die manier groeide de congregatie uit tot een internationaal vertakte organisatie.
Het aantal Belgische zusters kende in 1940 haar hoogtepunt met meer dan 700. Sindsdien daalde het aantal constant en steeg de leeftijd van de zusters sterk.
Ten gevolge hiervan sloten vele bijkloosters hun deuren en de nog aanwezige zusters kwamen naar het moederhuis in Gijzegem om daar van hun oude dag te kunnen genieten. Om deze bejaarde zusters op te vangen werd op de kloosterterreinen het Woon- en Zorgcentrum Aqua Vitae opgericht waar momenteel 50 bejaarden, waaronder naast 31 zusters ook 19 leken, verblijven. Bovendien plant men in mei 2010 de opening van 35 serviceflats.
De bouwgeschiedenis van de kapel
Nadat de oorspronkelijke congregatiekapel uit 1824 een andere bestemming kreeg, drong zich de bouw van een nieuwe kapel op.
Op 2 juni 1945 legde Mgr. Delebecque, de bisschop van Gent, de eerste steen van de kapel. De wijding van het voltooide gebouw gebeurde één jaar later, meerbepaald op 7 september 1846. De architect was J.B. Hosten. De stijl van de kapel is neo-klassiek. De architectuur en de decoraties doen Italiaans aan met een imitatie van alle mogelijke neo-renaissance siermotieven. Ook de Franse rococo ontbreekt niet. Op die manier weerspiegelt de kapel de ultramontaanse geest van de stichteres en van de bisschop.
Opvallend zijn de tribunes. Ze waren oorspronkelijk voorbehouden voor de religieuzen. Rechts zaten de novicen, links de geprofesten. De leerlingen van de school zaten op de banken beneden.
In 1993 werd de kapel grondig gerestaureerd. Niet alleen werden de muren, pilaren en gewelven herschilderd maar ook de verlichting en de geluidsinstallatie werd volledig vernieuwd. Bovendien werden alle schilderijen gerestaureerd door het atelier Rocockx Restauration te Antwerpen
De kapel heeft een uitstekende akoestiek. Regelmatig vinden hier dan ook concerten plaats en gebeuren er CD opnames.

De bezienswaardigheden in de kapel
- Het koor: het decoratieve programma is uitgewerkt rond het thema van de Eucharistie.
- Het altaar: renaissancistisch uitgebouwd.
De 3 reliëfs beschrijven het offer van Melchisedech (Gen. 14,18-19), het Lam op het boek met de 7 zegels (Openb.) en het offer van Izaäk (Gen. 22). Deze thema’s kunnen beschouwd worden als verwijzingen naar de Eucharistie.
- De koorwanden: stellen de tent van het verbond met het Heilige der Heiligen voor. Opmerkelijk is de fries met druivenranken die eveneens verwijzen naar de Eucharistie.
- Schilderijen: oorspronkelijk hing hier het schilderij “Christus regeert de wereld”. In 1947 werd het doek “Onze-Lieve-Vrouw ten Hemelopneming” van Gaspar De Craeyer (1584-1669) dat tot dan toe in de congregatiekapel ophing hier geplaatst en kreeg het schilderij “Christus regeert de wereld” een plaats in de rechter tribune. Daardoor werd de eenheid van de decoratieve taal wel verbroken. Het schilderij van De Craeyer is een repliek van het doek dat hij leverde voor de kerk van Watervliet en dat er zich nog steeds bevindt. Het werd vervaardigd voor de abdij van Ninove. Hoe en wanneer het in Gijzegem belandt is weet men niet.
De andere schilderijen werden aangebracht in 1850-1852 en zijn het werk van Edward Wallays (1813-1891), een familielid van Moeder Cécile Wallays die 18 jaar Algemeen Overste was van de congregatie.
Het gaat om volgende schilderijen: Christus (Heilig Hart) regeert de wereld; Sint-Vincentius, patroon van de congregatie; Jezus en de Samaritaanse vrouw aan de bron; Verschijning van Maria aan de Heilige Antonius Van Padua; Jezus de kindervriend;
- De kruisweg: geschilderd door Edward Dujardin (1817-1889).
- De biechtstoelen: de wapenschilden van de 2 Gentse bisschoppen uit de beginperiode van de congregatie werden er op aangebracht.
- De preekstoel: is evenals het beeld van de Goede Herder gebeiteld uit eikenhout en getekend “Peeters”. Op de medaillons vinden we “Sint-Ignatius met Maria” en “Jezus en de Heilige Theresa Van Avila” terug.
- Het orgel: het eerste orgel werd gebouwd en geplaatst door de gebroeders Vereecken uit Gijzegem. In 1956 kwam er een nieuw orgelwerk van orgelbouwer Joris uit Hasselt en Peereboom uit Maastricht. In 1986 werd dit orgel grondig verbouwd door de firma Pels-D’Hondt.
De refter

Deze schitterende art-decorefter werd gebouwd in 1925. Opvallend is de enorme koepel uitgewerkt in glas-in-lood. Het geheel werd in 2007 gerestaureerd. De kleuren uit de oorspronkelijke vloer werden doorgetrokken in de pilaren.
De refter werd oorspronkelijk gebruikt voor de leerlingen van het pensionaat (dit was een soort kostschool opgericht in 1820 en bedoeld voor kinderen van meer gegoede ouders). Tegenwoordig wordt deze refter gebruikt voor allerlei doeleinden, zowel voor de leerlingen van de school als voor de bewoners van het rusthuis.
Bronnen
- kloosterarchief Sint-Vincentius a Paulo.
- tekst E.H. L. Baert, opgemaakt voor OMD van 1996.
- “Van Spinhuis tot Hogeschool, 120 jaar Normaalschool Gijzegem”,
Oscar Van Damme, 2002.
| |
| Kapel O.L.V. Termuren | Wanneer de kapel juist haar ontstaan kent is niet met documenten aantoonbaar, misschien werd ze reeds in de XVI de eeuw opgericht, althans dan wordt er gewag van gemaakt van de "nieu capelle van Erembodegem".
De naamgeving dankt de kapel aan een voorval zonder verdere datering. In het hof te Hale hing een op eikenhout geschilderde Mariabeeltenis. Bij een brand op het hof, bleef de beeltenis ongeschonden aan een verschroeide muur hangen. Om het wonderbaar gebeuren te vereeuwigen bouwde men op het erf een kapel onder aanroeping van Onze Lieve Vrouw ter Muren. (1631)
De huidige kapel werd gebouwd in 1763 op gronden geschonken door de abdij van Groenenbriel omdat de vorige kapel, dichter bij de Dender, bij overstromingen steeds onder water liep en door de grote volkstoeloop te klein was geworden.
De eigenlijke 'Kapellekensbaan' liep achter de kapel door, volgde een eind het latere tracé van de spoorlijn en kwam ter hoogte van de scheiding Aalst-Erembodegem in de verlenging van de Aalsterse Kapellekensbaan (nu Erembodegemstraat). Ze verdween toen de broers Schotte hun leerlooierij oprichtten omstreeks 1920. Schotte legde op eigen kosten de huidige baan aan.
In het interieur van de kapel vinden we een barokaltaar, vervaardigd rond 1725 in gemarmerd hout. In het bovendeel van het altaar werd het miraculeus paneel van het O.L.Vrouw ter Muren ingewerkt. Het kleine schilderij op eikenhout, ingelijst onder glas, stelt een Maria voor die het kindje Jezus omarmt terwijl het op haar schoot staat. Volgens de overlevering gaat het om een volkse kopie van een schilderij dat het zich ooit te Gent bevond in de abdij van Groenenbriel. Het schilderij is niet gedateerd noch gesigneerd. Het onderschrift luidt: "O Mater Dei, memento mei".
Achteraan de kapel hangen nog steeds de ex-voto's uit dankbaarheid voor verkregen gunsten, geschonken door de gelovigen. De volksdevotie bracht de kapel in verband met blindheid en ogenkwalen, later ook zenuwziekten, het "flerecijn" en de kwalen "bij het keren der jaren".
Door de aanleg van een nieuwe verbindingsweg tussen het centrum van Erembodegem en Aalst werd de omgeving van de kapel een oase van rust en bezinning. Ook priester Adolf Daens heeft de oude Kapellekensbaan dikwijls "brevierend" bewandeld.
Rechts van de kapel stonden vroeger een drietal werkmanshuisjes. Het middelste was een 'Estaminet' waarin L.P.Boon Ondineke situeert, het hoofdpersonage uit zijn “Kapellekesbaan” en het vervolg ”Zomer te Termuren”. | |
| Kasteel Terlinden | Het zogenaamde kasteel Terlinden of de Grote Verdoemenis is gelegen in de wijk Schaarbeek, aan de oude weg naar Gent. In 1582 wordt het "Pachthoefken", genoemd ’t Goed ter Linden, vermeld. In de 17de-eeuw was het bekend als een klein, met water omringd gebouw en werd het Hof Terlinden genoemd. De familie Terlinden, wellicht van dit goed afkomstig, speelde vanaf het begin van de 17de-eeuw een rol in het Stadsbestuur.

In de volksmond wordt het goed de Grote Verdoemenis genoemd -in tegenstelling met de wat verderop naar Gent gelegen Kleine Verdoemenis-, omdat hier in het begin van de 18de eeuw de oratoriaan Pasquier Quesnel verbleef, een vooraanstaand jansenist, die er zijn boek "Motif de droit du pčre Quesnel" schreef.
Het oude goed werd omschreven als een klein kasteel, omgeven door een brede vijver en voorzien van twee ronde torentjes; de toegangsweg was afgebakend met grote eikebomen.
Het huidige kasteel zou in 1775 gebouwd zijn door Jaak Angelus Dierickx, voorzitter van de Raad van Vlaanderen. De naam Verdoemenis werd opnieuw populair tijdens de Brabantse Revolutie, wegens het verblijf aldaar van deze Dierickx, die als vooraanstaand ambtsdrager onder de Oostenrijkers door de patriotten werd veracht. In 1794, na de vlucht van Dierickx naar Rijsel en Gent, legden de Fransen de zegels; nadien werden de kantoren van de "garde magasin des vivres" er ondergebracht.
In 1796 werd het kasteel als toebehorend aan een uitwijkeling vermoedelijk verkocht. In de jaren VII en VIII was het eigendom van Baron Van der Noot de Vreckhem, gewezen Burgemeester van Aalst (1833-1848). In 1910 stond het kasteel Terlinden, groot 7 ha 36 a 26 ca, toebehorend aan Eugeen Jelie, te koop. Deze had het geërfd van zijn eerste vrouw, een dochter van Van der Noot.
In de aankondiging van de verkoping leest men dat het kasteel "paalende met de Dreef aan den grootsten steenweg van Brussel naar Oostende, maar honderd meters verwijderd is van een tramhalt en dat men gaat op vijf en twintig minuten naar de statie van Aalst. Schoon en welgelegen, ver van alle nijverheidsgestichten, bevat de eigendom een allerschoonst park, met eeuwenoude boomen en vischrijke vijvers, eene ruime woonst met alle aanhorigheden, hovingen, boomgaarden, paardenstallen,..., eene hofstede met stallingen; het alles afgesloten door muren, hagen en daarover grachten."
In 1913 werd het domein verkochte aan L. Geerinckx en werd een nieuw hoofdgebouw opgericht in neotraditionele stijl. De twee zijvleugels uit 1775 en het poortgebouwtje werden aangepast. De familie Geerinckx verkocht het gehele domein aan een bouwfirma, die er twee appartementsgebouwen oprichtte. In 1978 werd het kasteeldomein zelf, toen nog 1 ha 87 a 28 ca, verkocht aan de stad Aalst, die het park voor publiek openstelde. Het kasteel werd ingericht als regionaal "Centrum voor Economie en Middenstand". Zowel de Stedelijke Dienst voor Middenstand en Economische Ontwikkeling als de arrondissementele Kamer van Koophandel hebben er hun kantoren | |
| Oud-Hospitaal | Achter de Sint-Martinuskerk, aan de oever van de sedert 1964 gedempte Oude Dender, ligt het Oud-Hospitaal. Voor deze instelling stond Joanna Van Constantinopel in 1242 haar ’erfvloer’ af, de plaats waar vroeger het Karolingische Zelhof met grafelijke kapel oprees.
Het Oud-Hospitaal verving dus grotendeels de pré-stedelijke kern, eerste Economisch Centrum van de Aalsterse gemeenschap. Het was slechts op het einde van de 14e eeuw dat de Lombarden, de ,,lommerdhouders", deze omgeving verlieten om hun geldkantoren over te brengen naar de Grote Markt, het nieuwe forum van een groeiende gemeenschap.
Staat het Oud-Hospitaal op historische bodem, het gebouw is zeker niet minder interessant.

"Daar waar de lokale toestanden afweken van de algemene, waren zij de rijke bron van gewestelijke eigenaardigheden" (A.L.J. Van de Walle). Dat is hier inderdaad het geval.
Het begon met een kleine zaalkapel, pal oostwaarts gericht. Tegen de zuidelijke langsgevel werd een eerste ziekenzaal en een bescheiden kloostertje aangebouwd. Het leven was er gekenmerkt door evangelische eenvoud. Als het klokje het etensuur aankondigde, begaven de twee jongste zusters zich naar de zaal met een waterbekken om de handen van de zieken te reinigen; de andere zusters brachten de spijzen aan die door de Overste werden uitgereikt.
Wat er overbleef, werd uitgedeeld aan de behoeftigen bij de deur van het gesticht. Gedurende zes eeuwen zou het complex uitgroeien tot een toonbeeld van klein-stedelijke kloosterbouw, concrete weergave van de schoonheidsnormen en van het technisch kunnen der toenmalige vakmensen. Zij interpreteerden de stijl van de tijd naar eigen visie, gewoonlijk met een merkbare vertraging.
Steeds gaat het functionele gepaard met een ongekunstelde voornaamheid. Dwaal door de witte kloostergangen met hun spiegelgewelven en hun gordels in zandsteen, neem een kijkje in het omsloten binnenhofje waarop smalle bovenvenstertjes uitzien, kuier door de kamers met eikenhouten zolderingen en monumentale schouwen, steeds treft U de sfeer van innige gemoedelijkheid, van serene rust.
Een tocht door het Oud-Hospitaal
Ons bezoek vangt aan op het rustige binnenplein. Rechts de voormalige ziekenzalen.
Het gerestaureerde complex dat wij gaan bezoeken is het vroegere klooster. Boven de ingang van de kapel met korfboog, een nisje waaronder het jaartal 1648. Bij een eerste vergroting in de 15e eeuw werd het slanke torentje boven de nieuwe (tweede) kapelgevel geplaatst.
Wij stappen het klooster binnen door een poortje met laatgotische accoladeboog, versierd met de blazoenen van de twee belangrijkste Oversten-Bouwmeesteressen: onderaan het schild van Vrouwe Margaretha Upscapt, priores van 1484 tot 1522, daarboven het blazoen van de adellijke Maria Goethals, overste van 1634 tot 1656.

In de kloostergang van deze Mevrouwe Goethals volgen wij de langsgevel van de kapel: opzettelijk bleef deze ongepleisterd om duidelijk aan te tonen dat de bidplaats tweemaal vergroot werd. De zij-ingang van de (tweede) kapel heeft een omlijsting in zandsteen uit het einde van de 15e eeuw; uit de nauwelijks merkbare boogpunt rijst een fijn uitgewerkt voetstuk op waarboven een drielobbig nisje.
Verder, uitgebouwd onder het altaar, een grafkelder gebruikt van 1734 tot 1780. De krocht is ingedeeld in twaalf vakken, de zeven lijken werden in 1876 overgebracht naar de stedelijke begraafplaats.
Achter de kapel, een galerijtje geschraagd door bogen en zuiltjes; hier was de aanlegplaats voor de schepen die voedsel, bouwmateriaal, enz.aanbrachten. Daar tegenover, in het kelderken der Broeders kookten deze hun potje tot in 1441; toen werden de lekenbroeders bij bisschoppelijk bevel uit het hospitaal verwijderd.
Naast de trap bevinden zich de benedenkamers die (vroeger) op de Dender uitzagen; eerst de ziekenkamer van de zusters, daarnaast de beste kamer, waaronder de wijnkelder; in de deurlijst is een lijn gegrift die het waterpeil aangeeft van de overstroming in januari 1820. Nu komen wij in de oudste vleugel, opgetrokken door Vrouwe Upscapt. Het hoekgebouw met geprofileerde balken deed dienst als refter. In de keuken met zwart-gerookte zoldering en brede schoorsteen, werden de spijzen door een loketvenstertje doorgegeven naar de refter.
Vroeger leidde een houten trap naar de deur met balusters naast de schouw. In de balken van het kamertje steken nog de gesmede spijkers waaraan het gerookte vlees en de hespen werden opgehangen. Tegenover het W.C. ligt de bierkelder, met zijn zware tongewelven, dikke muren en getraliede vensters, de ideale plaats voor de opname van een griezeltoneel.

Enkele trappen op, boven de bierkelder, de werk- of naaikamer met een zware zoldering die rust op consoles en met een monumentale schouw in zandsteen.
Nu volgen wij de wenteltrap, de treden zijn in een boomstam ingewerkt die reikt tot aan de zolder.
Op de eerste verdieping twee ruime zalen, de eerste met eikenhouten zoldering, vouwluikjes met koperen scharnieren en een gotische schouw. Een klein deel van de wand toont ons de typische skeletbouw; om de 40 cm is een balkje horizontaal geplaatst; op dat geraamte werden eiken balken loodrecht vastgehecht en bepleisterd met leem waarin gehakt stro verwerkt was; daartegen werden geperste turfstenen aangebracht, nogmaals overdekt met een leem-strolaag.
Op de wand van de overloop werd een muurschildering ontkalkt Christus draagt zijn kruis op ongewone wijze, op het hoofd een doornenkroon, omgeven door een nimbus.
De zolders met stevig dakgeraamte, zijn gevloerd met rode tegeltjes; hier immers werd het graan opengespreid, afkomstig van het lepelrecht: van al het koren dat te Aalst verkocht werd - binnen of buiten het korenhuis - mochten de Zusters een lepel scheppen. Voor kleine hoeveelheden gebruikte men een mindere kroes sedert 1540.
Zo ontstond de dubbele lepel die nog bewaard wordt in het Museum. Op de kleine zolder waren kamertjes afgeschut voor de novicen.
Via de trap dalen wij in de gang van de bovenverdieping: daar waren de slaapkamers van de Zusters één raampje per kamer. Aan deze ,,slaapgang" paalde vroeger een grote zaal ,,De Bisschopskamer" die logies verschafte aan hoge bezoekers. Wegens tekort aan ruimte werd in deze kamer een scheidingsmuur opgetrokken. Zo ontstond de ,,Kamer met de erker".
Dit gesloten balkon is een fijne architectonische vondst die de buitengevel verlevendigt maar tevens bedoeld was als uitkijk. Van hier konden de voorbijvarende schepen in het oog gehouden worden om na te gaan of zij aan het lepelrecht voldaan hadden.
De Prioreskamer, hoekkamer van de oudste vleugel, heeft als consoles drie in zandsteen uitgehouwen mensenhoofden. De schouw in Louis XVI kreeg een marmeren schoorsteenmantel, afkomstig uit een Gentse patriciërswoning. Via twee gangen in totaal verschillende stijl bereiken wij het doksaal; de kapel behield gelukkig nog een onbeschadigd raam uit het hoog-gotische tijdvak. De rustige geometrische tracering van het maaswerk dagtekent uit het einde van de 15e eeuw. Het gewelf in stuc (1733) is door het symmetrische gebruik van het schelpmotief, een toonbeeld van ambachtelijke bezonkenheid.
Om ons bezoek te besluiten wandelen wij tot bij de achtergevel, een typische bak- en zandsteenbouw, eenvoudig en toch rijk door zijn stemmig middeleeuwse kleur- en lijnenspel.
De restauratie (1959 - 1965)
Gedurende de Tweede Wereldoorlog werden hier een veertigtal dakloze gezinnen ondergebracht. Toen het complex in 1956 ontruimd werd, dreigden de gewelven van het kloosterpand in te storten. Maar met durf en geestdrift heeft het stadsbestuur de herstellingen aangevat. Met deze gelukkige restauratie (1959 - 1965) onder de leiding van conservator-beeldhouwer Ignace De Vos, werd het bouwkundig patrimonium aanzienlijk verrijkt.
Gedurende de tentoonstellingen gewijd aan Valerius De Saedeleer (1967) en Dirk Martens (1973) hadden duizenden bezoekers evenveel oog voor de sfeervolle ruimten als voor de verzamelingen die er waren in ondergebracht.
Voor rondleidingen en info moet je bij de dienst Toerisme zijn. | |
| Oud Stedelijk Zwembad – Capucijnenlaan 8 | Het Oud Stedelijk Zwembad, momenteel Academie voor Beeldende Kunsten, staat symbool voor de bouwkunst van de interbellumperiode.
Vele Aalstenaars kennen het gebouw als “de oude zwemkom” en verwijzen daarmee naar zijn vroegere functie.
Door de ene beoordeeld als architectuur zonder waarde, gevoel of esthetiek, door de andere bejubeld als “parel van modernistische architectuur”. Hoe dan ook, alle architectuurbezielers en deskundigen zijn het erover eens dat dit gebouw “architectuur met een grote A” is.

Toen het stadsbestuur in 1935 een wedstrijd organiseerde voor het ontwerpen van een nieuw stedelijk zwembad en het avantgardistische ontwerp van Willy Valcke bekroonde en liet uitvoeren, gaf zij blijk van een zeer groot gevoel voor vernieuwing.
Het ideeëngoed van de internationale stijl met grootmeesters als Le Corbusier, Leon Stijnen en Henri van de Velde was hier immers in die tijd zeer omstreden. Willy Valcke, leerling van Le Corbusier en voorstander van de functionele architectuur heeft door het rationeel concipiëren van dit zwembadgebouw een belangrijke stap gezet in de ontwikkeling naar het moderne bouwen.
Het is een architectuur zonder architectonische franjes of pretenties. Zij staat er niet om te overtuigen en koestert geen amibities. Dit gebouw kwam in eerst instantie tot stand om te functioneren en niet om te imponeren. Er werd getracht vorm te geven aan de inhoud, een inhoud die op zichzelf zo waardevol is dat hij een specifieke vorm moest krijgen. Alles werd ontworpen in functie van het parcours dat men diende af te leggen tussen ingang en zwembassin. Discipline en hygiëne vormden hierbij de basis. Er werd een duidelijk onderscheid gemaakt tussen bezoeker-bader en bezoeker-toeschouwer.

Met de bouw van het nieuwe zwembad aan de Aelbrechtlaan en door het wegnemen van de initiële functie van het oude zwembad, verdween de inhoud. Ook letterlijk, bij het omvormen van het geheel naar een sportcentrum verdween praktisch de volledige binneninrichting met uitzondering van de zwembadkuip, welke werd dicht gelegd met een voorlopige houten constructie.
Waar men vroeger het bewaren van monumenten vooral enkel als opdracht zag, waardoor er heel wat van het gebouw verloren kon gaan, is ondertussen het gedachtegoed van Monumentenzorg heel wat bijgeschaafd en hecht men nu een groot belang aan de inpassing van monumenten in onze huidige maatschappij.
Het stadsbestuur van Aalst zag het belang in van “het Oud Stedelijk Zwembad” en besliste dan ook, nog voor er sprake was van enige klassering, om het gebouw als waardevol te beschouwen voor het stadspatrimonium. In plaats van het complex te verkopen, werd besloten om het te integreren in het herhuisvestingsproject voor de Academie voor Schone Kunsten.
De basisideeën waaruit het ontwerp tot stand kwam waren:
- Optimaal integreren van het zwembadgebouw binnen de bestaande schoolinfrastructuur,
- De nieuwe huisvesting voor de academie een maximum aan uitstraling bieden,
- De verbouwings- en nieuwbouwwerken aan het zwembadgebouw te concipiëren als actuele ingreep zonder de bestaande architectuur te bruuskeren of afbreuk te doen aan het originele concept van het gebouw,
- De waardevolle gevels en betonstructuur in hun oorspronkelijke toestand behouden met restauratie van beschadigde delen.

In het verbouwingsplan werd het oude zwembad ingericht als atelierruimte waarbij de zwembadhal één ruimte bleef, waarin een tweede constructie werd neergezet. Het gebouw werd toegankelijk gemaakt voor rolstoelgebruikers, er werd werk gemaakt van een volledige restauratie van alle gevels en de betonnen overdekte doorgang. De bakstenen achtergevel werd opengetrokken met grote ramen die aansluiten bij het bestaande bovenlicht.
Hierna een passage uit de bijdrage door Christian Kieckens in het tijdschrift “Interbellum” (maart-april 1984) gewijd aan het Oud Stedelijk Zwembad.
Zoals het in die tijd meermaals gebeurde, is ook de realisatie van het zwembad het resultaat van een wedstrijd die werd uitgeschreven in 1935. Antoon Blanckaert behaalde de tweede prijs en Willy Valcke werd laureaat en bekroond met de uitvoering van zijn project.
In de beschrijvende nota, die Willy Valcke bij zijn project voegde, wordt een groot belang gehecht aan het functioneel-ergonomisch concept van het gebouw en aan het optimisme dat het dient uit te stralen. Naast de omschrijving over de samenstelling, de schikking en de constructie van het gebouw, wordt in deze nota tevens melding gemaakt van de esthetiek van de voorgevel omdat het “een stadsgebouw is welke op een der bijzonderste lanen der stad wordt aangebracht”.
Het geheel bezit vooreerst een hoogst functionele kwaliteit in de planmatige opbouw. Alles is geconcipieerd in het teken van het te doorlopen parcours van de ingang tot het zwembassin. Dit wordt opgevat als een duidelijk “eenrichtingsverkeer”, wat een enige manier is tot het behoud van de wetten van discipline en hygiëne. Naast dit circuit is het plan gebaseerd op een opeenvolging en een connectie van verschillende diensten. Daarenboven wordt er een duidelijk onderscheid gemaakt tussen de bezoeker-bader en de bezoeker-toeschouwer die zich vanuit de toegangshal rechtstreeks naar de trapbanken kan begeven, waar plaats voorzien is voor 600 personen. Ook kunnen vanuit deze hal de 12 cabines voor privaat-baders worden bereikt. Deze cabines staan geschikt langsheen de doorgedreven rationeel sinusoïdale muur, waarbij er langs weerszijden telkens zes cabines bereikbaar zijn. Het is tevens in deze zone dat de lichte hoekonregelmatigheid van het terrein wordt opgevangen. Dit laat toe het hele project, op uitzondering van de voorgevel, haaks uit te voeren.
Over de voorgevel schrijft Willy Valcke in zijn nota: “de gevels zyn voorzien in witte hardsteen om aan het geheele een bly uitzicht te geven…”. De gevel bezit een doorgedreven horizontaliteit en is onderverdeeld in partijen die de erachter liggende functies naar buiten verraden: cafetaria, badcabines, toegangshal, winkel en linnenzone.
Architect Valcke heeft het gevelgeheel in een zo groot mogelijke volumetrische speelsheid verwerkt, ondanks de beperking die vooropgesteld werd in het programma. Om deze reden vermeldt de nota “dat slechts een gedeelte van het gebouw twee meter ver in het voorhofje inspringt”.

Op technisch gebied is het zwembad echter evenzeer belangrijk. Niet alleen is dit merkbaar in de constructie, ook de filterinstallaties en de verwarmingsmethodes zijn zeer inventief toegepast.
Door het toepassen van lichte kleurcontrasten en lichteffecten wordt het interieur van het zwembad atmosferisch bepaald. Keramiektegels worden in lichte kleurnuances verwerkt: het zwembassin in lichtblauw, de bassinboord in witte tegels en de zwembadhalvloer in een crèmekleurige toepassing. De muren van de trapbankenruimte krijgeneen veronees-groene kleur mee, die harmonieert met de ingangshal en de cafetaria.
Het gehele zwembad is aldus geconcipieerd vanuit eenzelfde standpunt: zowel techniek, de ergonomie als de sfeer en de esthetiekzijn functioneel bedacht. Het gaat hier om een optimale realisatie in de voortreffelijke zin van het woord en van een type model, omdat niets aan het toeval is overgelaten. Het minste detail draagt bij tot de bevestiging van een zowel stevige als uitmuntende eenheid.
| |
| Pater Taeymanszaal in het St-Jozefscollege | Het college is op deze plaats, in de Pontstraat in Aalst begonnen in 1621. Sindsdien zijn er ettelijke uitbreidingen en verbouwingen gebeurd, aangepast aan de noden van de tijd. Maar het oudste gebouw is bewaard gebleven. Het gebouw kreeg diverse bestemmingen en deed in de 20ste eeuw - tot 1965 - vooral dienst als refter voor de internen. Die refter was fraai ingericht, vooral nadat Pater L. Taeymans - wellicht kort na 1910 - muurschilderingen aanbracht op de binnenwanden.
Pater Lodewijk Taeymans (1874-1937) was van 1909 tot 1921 tuchtprefect van het college. Hij was een begaafd en erkend kunstschilder. In de refter schilderde hij landschappen in trompe-l’oeil. Boven een plint in de wandtegels simuleren de beschilderde vlakken een zandstenen colonnade met rondbogen. Doorheen de gevelopeningen en tussen de kolommen door kijkt men uit op een idyllisch landschap.
Bij de restauratie van de zaal eind jaren negentig werden op de muur in de Pontstraat twee wapenschilden onder de verflaag vandaan gehaald. Het ene schild is dat van Mgr. A. Stillemans, bisschop van Gent (1889-1916) en het andere van Paus Pius X (1903-1914). Na onderzoek kon worden aangetoond dat onder deze wapenschilden oudere schilden verborgen zaten. De optie werd echter genomen om de jongste vorm te bewaren en te restaureren. Het geheel van de restauratie, samen met de herplaatste vloer uit Basčcletegels, zorgt voor een schitterende, unieke ruimte die werd herdoopt als Pater Taeymanszaal. Momenteel wordt het lokaal gebruikt als muziekklas en als polyvalente internaatsruimte.
| |
| Sashuis te Herdersem | ’De brug van Gijzegem’ klinkt veel mensen wel bekend in de oren. Als belangrijk verbindingspunt tussen de 3 gemeenten, Herdersem, Wieze en Gijzegem, bewijst de constructie over de Dender dagelijks haar nut. Ouderen herinneren zich vast nog de oude ophaalbrug die er vroeger dienst deed met aanpalend het witte sashuis. Vanuit een bosje, net naast haar moderne opvolger, geniet de oude brug van haar tweede leven.
Het sashuis aan de Dender te Herdersem is het enige overblijfsel van het ’Sas van Wieze’. Dit sas werd gebouwd in 1768-69 als één van de sluizen op de Dender. Op kosten van de gemeente Wieze werd in 1857 een weg naar het sas aangelegd en werd in 1866 een houten klapbrug aan het sas opgericht. Vandaar de benamingen "Sas van Wieze" en "Wiezebrug".
Het oude sas bleef actief tot 1947 en in 1972 werd er een nieuwe, vaste brug over de Dender gelegd in Gijzegem. De oude ophaalbrug werd voor de verbinding tussen Herdersem, Wieze en Gijzegem totaal overbodig en kreeg in 1976 op initiatief van het Davidsfonds van Herdersem een plaatsje in een klein recreatieoord in de onmiddellijke omgeving.
In 1779 was het sashuis bewoond door sieur Gouffau, die er een herberg hield zonder toelating van de heer van het Land van Aalst. Het sashuis bleef tot in 1936 als herberg in gebruik. Daarna verhuisde de herberg naar een houten loods, rechts van het gebouw op de dijk. De loods brandde echter af in 1940. In 1965 vestigde kunstenaar Roland Monteyne zich hier en richtte er in 1970 een bronsgieterij in. Hij bleef er actief tot aan zijn dood in 1993. De huidige eigenaars hebben het atelier van Roland Monteyne bewaard als hommage aan de kusntenaar.

| |
| Sint-Amanduskapel | Sint-Amandstraat, Erembodegem
| Dit bedevaartsoord is gelegen in de bosrijke omgeving van het natuurgebied Kapellemeersen.
De kapel is toegewijd aan Sint-Amandus, wiens feestdag wordt gevierd op 6 februari.
De kapel is bekend sinds de 14de eeuw, maar werd hersteld of herbouwd in 1636. In 1900 onderging de kapel al een restauratie en op dit ogenblik zijn er opnieuw grondige restauratiewerken aan de gang. Het rechthoekig bak– en zandstenen gebouw met driezijdige sluiting is gevat onder een zadeldak met dakruiter. Binnenin bevindt zich een ingemetselde arduinen grafsteen die dateert uit 1632. Men treft er ook een houten St. Amandusbeeld aan (in restauratie). De talrijke devotiebeelden die er door de wijk werden samengebracht zijn tijdelijk ook opgeborgen. De kapelruimte is van het voorportaal gescheiden door een opengewerkte afsluiting in gesmeed ijzer.

Op de voorgevel van de kapel kan men het volgende opschrift lezen : "H. Amandus, patroon tegen zere ogen en de worm in het land".
Dit komt omdat er zich achter de kapel een bron bevindt, die in 1960 werd opgemetseld. Aan het water van dit in de volksmond “Sint-Amadusputteken” genoemd, werden genezende krachten toegewezen. Met dit bronwater werden de zieke ogen negen opeenvolgende dagen gewassen. Het werd tevens in de aalput gegoten om de akker tegen de wormen te beschermen. Niet enkel de inwoners van de gemeente maar ook uit de grote omgeving (Welle, Moorsel, Affligem) kwamen hier regelmatig op bedevaart. Het Sint-Amandusputteken ligt in een privé-tuin en is niet zichtbaar van op de straat.
De kapel en het St.-Amandusputteken zijn beschermd als monument op 7 juni 1996.
| |
| Sint-Antonius-Abtkapel | Op de hoek van de Grote Baan en de Alfons De Cockstraat, Herdersem
| 
Volgens de gevelsteen boven de toegangsdeur dateert de kapel van 1894. De huidige kapel werd opgericht op de plaats waar reeds eeuwen een Sint-Antoniuskapel stond. Het initiatief werd genomen door Frans Van Wassenhove, een Eeklonaar wiens broer toen onderpastoor was te Herdersem. Deze wijdde trouwens in 1895 de kapel in. Het geheel is een eenvoudige rechthoekige bakstenen constructie met driezijdige koorafsluiting en natuurstenen ornamenten in neogotische stijl.
Tot rond de jaren 1970 stond een 17e eeuws gepolychromeerd houten St.–Antonius-Abtbeeld in de kapel, waarschijnlijk afkomstig uit de vroegere bidplaats. Het oude beeld werd gestolen en naderhand vervangen door het huidige plaasteren beeld van St.-Antonius met zijn varken. Door een samenloop van omstandigheden dook het gestolen beeld weer op in een Nederlandse privécollectie. De Heemkundige Kring De Faluintjes organiseert daarom een fondsenwerving om het beeld te kunnen terugkopen en zo het plaatselijk patrimonium weer te vervolledigen. Sint Antonius wordt in Herdersem nog steeds aanroepen tegen “het vuur”, zoals “helse en wereldse bekoringen, wildvuur, brand en andere nadelige invloeden". Natuurlijk staat hij ook in voor de ziekten bij het vee met een specialisatie voor varkens.
De jaarlijkse “Moorselse” mis met aansluitend de verkoop per opbod van de offergaven is reeds meer dan driehonderd jaar het bewijs van het volksvertrouwen en ook van de zorg van de heilige voor zijn volgelingen.
De kapel is beschermd als monument op 6 maart 1997.
| |
| Sint-Antonius van Paduakapel | Anna Snelstraat bij het Begijnhof te Aalst
| 
De neo-barokke kapel werd opgericht in het begijnhof, op de plaats waar op 28 oktober 1639 het mystieke begijntje Joanna Dedemaeker werd begraven. De in 1600 in Edingen geboren Joanna zette zich in met al haar krachten bij de verpleging van de pestzieken. Na vele zieken het leven gered te hebben sterft ze uiteindelijk zelf aan de pest op 31 jarige leeftijd. Op haar graf gebeuren volgens de overlevering verschillende mirakelen. De toenmalige pastoor van het begijnhof schrijft reeds in 1662 in opdracht van de aartsbisschop van Mechelen haar levensverhaal. In 1872 wordt uit dankbaarheid voor het behoud van het Begijnhof en op kosten van de hofmeesteres Victoria Van der Maeren, de begijnhofpastoor Joseph Monfils en zijn broer Victor Monfils een kapel opgericht ter ere van Sint Antonius. De inwijding door Mgr. Bracq, bisschop van Gent, vond plaats in augustus 1873.
Afwerking
Het klein vierkant gebouwtje van baksteen met natuurstenen afwerking is afgedekt met een achtkantige koepel met lantaarn. De rondboogvormige deur met glas in lood wordt beschermd door hekwerk in gesmeed ijzer, de vier hoeken van de kapel zijn bekroond met engelfiguren. In de kleine ronde glasramen vinden we afbeeldingen van de H. Begga en van Joanna Dedemaeker (beschadigd door vandalisme).
Sint-Antonius
Sint Antonius wordt door L.-P. Boon aangeprezen aan de meisjes van Aalst als verschaffer van een goed lief mits een bezoek aan de kapel op dinsdag, maar de heilige wordt vooral aanroepen voor verloren zaken en draagt zorg voor bergbewoners, bibliothecarissen, aardewerkmakers, reizigers en natuurlijk ook verliefden en gehuwden.
De kapel is beschermd als monument op 23 oktober 1997.
| |
| Sint-Gudulakapel | Moorsel-Dorp, Moorsel
| 
Gudula was één van de kinderen van de Heer van Ham, Witger en zijn vrouw Berlindis, een adellijke familie. Ze kreeg een opleiding in de abdij van Nijvel waar haar tante Gertrudis Abdis was. Later keerde ze terug naar Ham waar ze stierf of 8 januari 712. Hertog Karel van Lotharingen liet haar relieken overbrengen naar de Brusselse St.-Gorikskerk en in 1047 laat Graaf Lambrecht haar gebeente opbaren in de St.Michielskerk. Tijdens de beeldenstorm gingen deze relieken verloren. Moorsel is dankzij het levensverhaal van de heilige bekend sedert de donkere middeleeuwen. De heilige Gudula wordt vereerd op 10 juli en wordt aangeroepen bij zenuwziekte, aambeien en moeilijke spijsvertering bij kinderen.
De kapel is een laatgotisch rechthoekig gebouw dat oorspronkelijk dateert uit de 14e eeuw en werd opgetrokken in Meldertse zandsteen. De voorgevel loopt uit op een sierlijk zeshoekig, tuitvormig klokkentorentje. Binnenin vind je een beeld van de Heilige Gudula uit de 17e eeuw. Opmerkelijk is ook het barokke portiekaltaar en de 10 schilderijen eveneens uit de 17e eeuw die episodes uit het leven van de heilige Gudula voorstellen.
De kapel is reeds beschermd als monument sinds 3 juli 1942.
| |
| Sint-Jobkapel | Sint-Jobstraat, Aalst
| 
De St. Jobkapel bevindt zich aan de rand van de stad, bijna op de grens van Aalst en Nieuwerkerken, nabij de heerlijkheid van Regelsbrugge met kasteel en neerhof.
De Heilige man Job (Oude Testament) wordt vanouds aanroepen tegen kwade etterende zweren en om geduldigheid in het lijden. Hij is de patroon van de verstotelingen, de uitgeslotenen en de besmettelijke zieken, vandaar buiten de stadspoorten gelegen.
De oudste vermelding van de kapel dateert uit de eerste helft van de 15e eeuw. In het begin van de 17e eeuw brak een bloeiperiode voor de kapel aan, o.a. door een nieuwe uitbarsting van de pest, die ervoor zorgde dat er meer bedevaarders naar de kapel kwamen. Bij de Franse belegering van de stad in 1658 werd de kapel deels verwoest doch toen de rust teruggekeerd was begonnen onmiddellijk de herstellingen. Door de eeuwen zorgden epidemieën zoals cholera en tyfus ervoor dat de kapel verder drukbezocht bleef zodat in het derde kwart van de 17e eeuw een uitbreiding noodzakelijk was. Tijdens de Franse bezetting wordt de kapel, zoals alle andere cultusgebouwen, gesloten en verkocht met verplichting van afbraak. De nieuwe eigenaar, dhr. G.H. Leunckens, geeft echter geen gevolg aan deze verplichting. Er blijven zelfs in het geheim nog steeds missen doorgaan. Vanaf het Concordaat tussen de Kerk en Napoleon wordt de toestand weer normaal en na het broodnodige herstel schittert vanaf 1806 de kapel weer in al haar glorie.
De witgeschilderde baksteenbouw van vier traveeën op gecementeerde afgeschuinde sokkel met driezijdig koorsluiting is omgeven door leilinden. Het westerportaal is toegankelijk via een deur in beide zijgevels en is van de kerkruimte gescheiden door een opengewerkte afsluiting in hout met marmeren balusters, afkomstig uit de Sint-Martinuskerk. Het interieur dateert grotendeels uit de tweede helft van de 18e eeuw, het altaardoek met een afbeelding van Sint-Job is van de hand van Benedictus de Noose, de rococo-communiebank uit 1769 werd vervaardigd door J. Koopman, daarnaast sieren nog enkele oude bidbanken de ruimte.
Tegen de noordmuur hangt een overluifelde calvariegroep en in de tuin staat nog een grot, uitgewerkt als Heilig Graf.
De kapel en omgeving zijn beschermd als monument en als landschap op 22 oktober 1975.
| |
| Sint-Rochuskapel | Nedermolenstraat, Meldert
| 
De kapel “Ten Nuvel” zoals ze in de volksmond wordt genoemd ligt in de wijk Nievel tussen de Nedermolenstraat en de Nieveldriesweg. Oorspronkelijk was het gebedshuis toegewijd aan O.-L.-Vrouw ten Nood, maar omstreeks 1658 woedde de pest in de streek en werd de kapel toegewijd aan de heilige Rochus. De kapel werd in 1550 herbouwd en vergroot en in 1580 deed ze zelfs enige tijd dienst als noodkerk nadat de parochiekerk was verwoest.
Dit bedehuis wordt ook wel eens “Kapelleke Peer” genoemd wegens de oogstviering op 15 augustus. Jaarlijks vindt er een hondenwijding plaats, op de zondag na 16 augustus, de feestdag van Rochus.
Het éénbeukig gebouw is opgetrokken in bak– en zandsteen en grotendeels gecementeerd; het zadeldak is afgedekt met natuurleien en voorzien van een klokkenruiter. Rechts naast de korfboogvormige poort bemerken we het getralied rechthoekig venstertje waardoor de gelovigen hun devotie kunnen beoefenen wanneer de kapel gesloten is. In tijden van pest konden besmetten door het raampje de diensten volgen zonder contact te hebben met de gelovigen in de kapel, dit om eventuele besmetting te voorkomen. Binnenin is de ruimte overspannen met kruisgewelven die op consoles rusten. De vloer bestaat uit rode en blauwe Boomse tegels. Het portiekaltaar en een gesculpteerd Sint-Rochusbeeld dateren uit de 17e eeuw.
Kapel en omgeving zijn beschermd als monument en dorpsgezicht op 25 juli 1986.
| |
| Stadhuis en voormalig landhuis | In het achtergedeelte van het gebouw, vergaderde eertijds het Raadscollege van het Land van Aalst (de steden Aalst en Geraardsbergen en verder nog 172 entiteiten).
Het oorspronkelijke 17e eeuwse gebouw werd in de 18e eeuw in zijn huidige vorm verbouwd.

De kleur en de vormen van de rococogevel stralen levensvreugde en dynamisme uit. De versiering boven de deurpartijen bestaat uit rocaille motieven in steen en smeedijzer.
De vroegere paardenstallen en het koetshuis van de Heren van Izegem worden nu eveneens als stadsdiensten gebruikt.
De achterkoer werd vroeger nog gebruikt als decor voor openluchttoneel. Op de linkerzijgevel van de binnenkoer hangt de Aalsterse Roede (5,54 m). Het stadhuis zelf dateert uit 1830, is gebouwd naar plannen van architect Roeland en herbergt vooral de grote Stadsfeestzaal in neo-traditionele stijl. | |
| Stationscomplex Aalst | De "ijzeren weg" naar Aalst
De gemeenteraad van de stad Aalst heeft, na een hele polemiek, een "Memorie van Aelst" op 26-1-1845 goedgekeurd.
Hierbij werd een rechtstreekse spoorlijn tussen Brussel en Gent langs Aalst voorgesteld. Deze werd op audiëntie bij de Koning Leopold I voorgedragen door Burgemeester Frederik van der Noot, vergezeld van de Raadsleden Lieven Van der Looy, Cornelius Evit en de Stadssecretatis Honoré Dhuygelaere.
Zij bekwamen dat hun project aan de Kamer van Volksvertegenwoordigers werd voorgelegd, alsook aan de gemeentebesturen van Brussel, Asse, Lede, Wetteren, Gent, Oostende en Kortrijk.
Hieruit onstond het plan van hoofdingenieur Dessart: een lijn Brussel-Aalst-Dendermonde, vervolgens Ath-Aalst en Aalst-Schellebelle. Om financiële reden werd het project nooit door de Staat uitgevoerd.
Na de druk van het Brits grootkapitaal om hiervoor een concessie toe te staan aan de "S.A. du Chemin de Fer et du Canal de la vallée de la Dendre" mislukte dit ontwerp gedeeltelijk door de Franse juli-opstand in 1848, de daling van het buitenlands kapitaal en de geldnood van de Belgische Staat tijdens het hongerjaar. De concessie werd op 28-6-1851 overgenomen door Jean-André De Mor, J.B. Gendebien en consoorten? Na politieke verwikkelingen i.v.m. ontvangsten en uitbating werd op 8-5-1852 de nieuwe vereniging "S.A. du Chemin de Fer de Dendre et Waes et de Bruxelles vers Gand par Alost" opgericht met 15 miljoen BEF kapitaal, met als uitvoeringlimiet 1-5-1857. Ook dienden stations gebouwd te Lessen, Geraardsbergen, Schendelbeke, Ninove, Denderleeuw, Aalst, Lede en haltes voorzien te Idegem, Schellebelle en Hofstade. De vreugde van de Aalsterse gemeenteraad was groot, want zij keurden hiervoor een krediet van 5.000 BEF goed op 18-5-1852.
Op 31-5-1852 kwam minister Charles Ro |
| |