home-pagina
Grote Markt 3 9300 Aalst   
info@aalst.be   
053 73 23 23    
foto Thuis in de stad





Tekst onleesbaar?



contacteer de stad Aalst

toerisme: Aalstenaars op het voorplan


Ereburgers van Aalst 

Aalst heeft momenteel 7 ereburgers:

  • Alfred Kelders
  • Louis Paul Boon
  • Adolf Daens
  • Valerius De Saedeleer
  • Captain Bill Fairbairn
  • Z.E.H. Kannunik Michaël Ghijs
  • Oscar Van Malder

Alfred Kelders (1874 – 1956)

Alfred Kelders was een geboren organisator. Hij was o.a. medestichter van de kring ‘Caritas’, een culturele organisatie die tijdens de Eerste Wereldoorlog voor de noodlijdende bevolking revues, toneelvertoningen, concerten en omhalingen organiseerde. Hij was ook medeorganisator van de Beiaardfeesten van Aalst.
Organiseren zat hem in het bloed. Zo was hij de drijvende kracht achter verschillende evenementen: de Reclamestoet (1924), de Bloemenstoet (1929), de Eeuwfeesten (1930) en tal van andere evenementen.
Bovendien was hij meer dan 50 jaar werkzaam in het Koninklijk Letter- en Toneelkundig gezelschap ‘Voor Taal en Vrijheid’ en was hij voorzitter van de Dekenij der Kattestraat.

In 1902 stichtte hij de Middenstandsbond van Aalst en Omliggende. Deze groep gaf een maandblad uit genaamd ‘Burgerbelang’. Hierin maakte Kelders propaganda voor de middenstand.

Maar zijn grootste verdienste is de reorganisatie van de cavalcade in 1923. Onder zijn impuls trok toen de eerste Aalsterse cavalcade van de twintigste eeuw door de straten.
Kelders werd feestdirecteur van het feestcomité en zodoende was hij verantwoordelijk voor de organisatie van carnaval. Zo zorgde hij voor het ontstaan van een traditie.

D’Haese omschreef hem als een ‘duivel die ’t al doet en ’t al bereddert’. Een duidelijke verwijzing naar het enorme enthousiasme en de tomeloze inzet van Kelders.

In 1939 stelde toenmalig burgemeester Alfred Nichels voor om Kelders tot ereburger te maken wegens zijn verdiensten in het feestcomité. Dit voorstel werd echter verworpen. Elf jaar later werd het voorstel weer op de agenda van de gemeenteraad geplaatst en ditmaal keurde men het wel goed.

Op de gemeenteraad van 17 april 1950 werd Kelders het ereburgerschap toegekend.
Iedereen heeft enkel lof voor  de ‘vader van carnaval’.

Louis Paul Boon (1912 – 1979)

Op 27 april 2004 werd Louis Paul Boon ereburger van Aalst. Hij kreeg het ereburgerschap toegekend omdat hij behoort tot de allergrootsten uit het Vlaamse literaire en journalistieke landschap en hij zowel nationale als internationale bekendheid verworven heeft. Boon heeft een uitgebreid, veelzijdig en bijna universeel oeuvre gerealiseerd (vertaald in 10 talen!).

In 1942 brak hij door met “De voorstad groeit”. Zijn vrouw, Jeanneke Boon, had het manuscript ingestuurd voor een prijs. 
Zij speelde een belangrijke rol in zij carrière. Zij schreef hem niet alleen in voor de wedstrijd die de start van een grote carrière betekende, zij typte ook al zijn boeken netjes uit.
Na de oorlog was hij journalist voor het communistische blad “De Rode Vaan” en bij “Front”. Later werd hij redacteur bij de socialistische krant “Vooruit”.
In 1953 schreef hij zijn meesterwerk; de sociale dubbelroman: “De Kapellekensbaan”.
Via zijn romans heeft hij op een unieke manier de sociale strijd van de fabrieksstad Aalst in kaart gebracht.

“De Paradijsvogel” omschrijft de godsdienst als verdringer van de seksualiteit. De biografische roman “Pieter Daens” (1971) vormt een nieuw hoogtepunt.
Zijn werken “De Zwarte Hand” (1976) en “Het jaar 1901” handelen over het anarchisme in de omgeving van Aalst rond 1900.

Louis Paul Boon werd tweemaal genomineerd voor de Nobelprijs voor Literatuur (1972 en 1979). Tweemaal greep hij ernaast. In 1979 mist hij deze grote onderscheiding door zijn onverwacht overlijden.

Maar Boon had nog een artistiek talent: schilderen. Naast schrijver was hij ook een verdienstelijk schilder.

Meer info: http://www.lpboon.net
Zie ook verder op deze site

Adolf Daens (1837 – 1907)

De gemeenteraad van Aalst kende op 29 juni 2004 het ereburgerschap van Aalst toe aan priester Adolf Daens. Op die manier wil het deze grote man eren.
De naam Daens is synoniem geworden voor sociale strijd, het opkomen voor de belangen van de gewone man en het compromisloos politiek strijden hiervoor.
Hij was een man van het volk die opkwam voor het gewone volk. Telkens opnieuw trachtte hij vanuit zijn positie (priester, politicus of helper) de belangen van de verdrukten te verdedigen.

Adolf Daens trad in 1859 toe tot de Jezuïetenorde te Drongen, die hij in 1871 verliet.
Hij werd in het Groot Seminarie in Gent tot priester gewijd in het jaar 1873.

Priester Adolf Daens is vooral bekend als het boegbeeld van het daensisme. Van eind 1894 tot 1898 was hij volksvertegenwoordiger voor het arrondissement Aalst en van  1902 tot 1906 voor het arrondissement Brussel voor de Christelijke Volkspartij.
Door de radicale standpunten van de partij kreeg Daens veel tegenkanting van de Katholieke Partij, de hogere geestelijkheid, het Vaticaan en het Koninklijk Paleis.
Hij zette zich in voor de belangen van “de kleine man”: sociale wantoestanden werden aangeklaagd in het parlement en hij pleitte voor politieke en economische hervormingen.
Daens gooide hoge ogen doordat hij één van de eersten was die Nederlands sprak in de Kamer en door het wetsvoorstel voor de vernederlandsing van de Rijksuniversiteit in Gent, dat hij indiende in 1905. 

Door een lastercampagne tegen zijn figuur werd hij in 1906 niet meer herverkozen als volksvertegenwoordiger. Hij overleed een jaar later.

Louis Paul Boon schreef een boek over hem: “Pieter Daens”; een biografie over Adolf Daens, verteld door zijn broer Pieter.
In 1992 kwam de film “Daens” uit, van regisseur Stijn Coninx met Jan Decleir in de hoofdrol. De film, gebaseerd op het boek van Boon, was een hit in heel Vlaanderen.

Zie ook verder op deze site

Valerius De Saedeleer (1867 -  1941)

Kunstschilder Valerius De Saedeleer werd in 1933 uitgeroepen tot ereburger van de stad Aalst.
Tegen de wil van zijn vader volgt hij lessen aan de Academie voor Beeldende Kunsten te Gent. Hier komt hij onder de invloed van Franz Courtens.
Koppig als hij is onttrekt hij zich aan zijn vaders wil en gaat zwerven van streek tot streek.
Als hij 37 jaar is, vestigt hij zich in Sint-Martens-Latem. Aldaar maakt hij kennis met kunstenaars van de eerste Latemse school: Albijn van de Abeele, George Minne, Gustaaf en Karel van de Woestijne en Albert Servaes.

De Saedeleer ontwikkelt zich tot een uitmuntend landschapschilder. Zijn verfijnde stijl draagt kenmerken van de Vlaamse Primitieven. Zijn schilderijen worden gekenmerkt door een met uiterste zorg gecomponeerde en gebouwde opzet.

Artistiek gezien, kent De Saedeleer zijn beste tijd tussen 1904 en 1914. Pareltjes van zijn hand zijn o.a. “Winter in Vlaanderen” en “Boomgaard”.

Tijdens de oorlog wijkt hij uit naar Groot-Brittannië, maar vestigt zich in 1921 opnieuw in Vlaanderen, te Etikhove. Geïnspireerd door het glooiende landschap en onder invloed van Breughel de Oude, verscheidene landschappen.
Nog tijdens zijn leven, in 1933, wordt hij uitgeroepen tot ereburger van Aalst.
Voor een kunstenaar van niveau, die wereldberoemde werken heeft gepenseeld, was deze onderscheiding zeker terecht.

Valerius De Saedeleer sterft in 1941 op 74-jarige leeftijd te Leupegem. Zijn laatste wens, begraven te worden in zijn geboortestad Aalst, werd ingewilligd.

Ter ere van deze kunstenaar werd voor het stadsarchief een standbeeld opgericht.

Zie ook verder op deze site

standbeeld Valerius De Saedeleer

Captain Bill Fairbairn (1908 - ?)

William Thomas Fairbairn is de eerste geallieerde officier die met het stadsbestuur bij de bevrijding officieel in betrekking is gekomen.
Op de gemeenteraad van 17 april 1945, net na de oorlog, werd hem het ereburgerschap van Aalst verleend.

Captain Bill Fairbairn, geboren op 13 juli 1908 in Paraguay, is baccalaureaat in de kunstgeschiedenis aan de universiteit van Cambridge (Trinity College).
Hij was ook kapitein van het Hampshire regiment, 5de bataljon.
Hij voegde zich bij het Belgisch leger in Groot-Brittannië op 18 mei 1942 en was sindsdien bestendig bij de Belgen gedetacheerd.

Hij was eveneens de verbindingsofficier voor de geallieerde legers bij de Belgische brigade, die bij Cabourg ontscheepte.

Z.E.H. Kanunnik Michaël Ghijs (1933-2008)

Z.E.H.  Kanunnik Michaël Ghijs werd geboren te Gent op 8 oktober 1933. Meer dan 45 jaar was hij koorleider van schola cantorum Cantate Domino van het Sint-Maartensinstituut in Aalst.
Op 26 januari 2004 besliste de gemeenteraad hem het ereburgerschap van Aalst toe te kennen wegens zijn talrijke verdiensten. Z.E.H. Kanunnik Ghijs verwierf wereldwijde faam met zijn koor dat nationale en internationale uitstraling had.

Samen met het koor reisde hij de wereld rond. Het beroemde koor gaf al voorstellingen in vele grote Europese steden zoals Parijs, Barcelona,…maar ook in de VS, Israël, Egypte, India, Rusland,…
Het schola cantorum Cantate Domino is uitgegroeid tot één van de betere knapenkoren in Europa. Tijdens de periode 1994 tot en met 1997 werden Z.E.H. Ghijs en het koor door de Vlaamse regering uitgeroepen tot cultureel ambassadeur van Vlaanderen.

Bovendien werd het koor gelauwerd als cultureel ambassadeur van Europa wegens zijn dagelijkse culturele missie.

Het koor is reeds meerdere malen te gast geweest in het Vaticaan en in audiëntie ontvangen door paus Johannes Paulus II.

Z.E.H. Kanunnik Ghijs stichtte het koor in 1960. Onder zijn leiding is het uitgegroeid tot één van de betere koren in Europa en draagt het bovendien bij aan een positief imago van Aalst. Laten we ook niet vergeten dat hij hiervoor geen financiële vergoeding ontving.

Op 21 februari 2008 verloor Z.E.H. Kanunnik Ghijs, op 74-jarige leeftijd, het oneerlijke gevecht tegen kanker.


Oscar Van Malder (1927 - )

Oscar Van Malder is ereburger van de stad sinds 27 november 2007. Als leraar lichamelijke opvoeding richtte hij in 1957 de Koninklijke Kunstgroep Alkuone op.  De vereniging is een ambassadeur voor onze stad, die al optredens verzorgde in alle hoeken van de wereld. Eén van de hoogtepunten van Alkuone (Grieks voor ijsvogel) was de openingsceremonie van de Olympische Winterspelen in het Franse Albertville, in 1992. Momenteel is Oscar Van Malder erevoorzitter van de kunstgroep.

 


 naar top van pagina dit artikel afdrukken

 laatst gewijzigd op vrijdag 15 januari 2010

Dirk Martens 

Dirk Martens wordt algemeen beschouwd als de invoerder van de boekdrukkunst in de Zuidelijke Nederlanden.

Hij werd rond 1446 geboren uit een aanzienlijke en welgestelde Aalsterse poortersfamilie. Na de basisopleiding bij de Wilhelmieten te Aalst, trok hij naar Venetië. Hier vervolmaakte hij zich bij een oudere landgenoot, de leraar, musicus, humanist en drukker Gerardus de Lisa, die in het Venetiaanse huwde en er bleef werken.

In 1473 stichtte Martens een atelier te Aalst waar drie werken werden gepubliceerd, de oudste gedateerde Zuidnederlandse drukken. Eén ervan is de roman ’Over de twee geliefden’ van Aeneas Silvius Piccolomini, de latere paus Pius II.

Drukpers

Na een kortstondige vennootschap met Johan van Westfalen, verdwijnt elk spoor van Martens tot 1486. Wel vinden we in Spanje een Teodorico Aleman, gespecialiseerd in boekenimport, die steeds met Martens wordt geïdentificeerd.

Van 1486 tot 1492 specialiseerde hij zich in een tweede Aalsterse atelier, in brevierdruk, een genre dat hoge technische eisen stelt. Van 1492 tot 1529 spreidde hij zijn activiteiten uit over ateliers te Antwerpen en te Leuven. In 1529 trok Martens zich voorgoed terug uit de zaken en vond een verdiende rust in het convent der paters Wilhelmieten op 28 mei 1534 en liet vier kinderen na: Petrus, Suzanna, Bernarda en Barbara.

Laatstgenoemde huwde met Servaes van Sassen van Diest, die het drukkers- en uitgeversbedrijf van Martens in 1529 overnam.

De betekenis van Martens ligt minder in het feit dat hij de eerste drukker is geweest bij ons, dan wel in zijn belang voor de evolutie van het culturele leven als één der wegbereiders van het humanisme in de Nederlanden. Hij brengt niet alleen een nieuwe techniek, het weten dat hij in Venetië opdeed is ook een levenskunst, een humanisme en zijn betekenis voor de doorbraak daarvan is even belangrijk als die van de technicus. Hij is het die, na voorafgaande experimenten gespreid over 25 jaar, in 1516 de eerste volledig Griekse tekst drukte, die in onze streken verscheen.

Drukpers

Van zijn persen verscheen in hetzelfde jaar de eerste uitgave van één der belangrijkste monumenten van de wereldliteratuur, de Utopia van Thomas More. In de geest van Plato’s Politeia beschrijft de latere kanselier van Engeland hierin een denkbeeldige staat met ideale sociale toestanden. Martens verzorgde in 1521 een volledige Homerosuitgave, voor zijn tijd een prestatie van eerste orde. Hij zorgde voor een Hebreeuws woordenboek en herwerkte een klassiek Latijn-Nederlands woordenboek. Hij gaf Colombus’ relaas uit van de ontdekking van de Nieuwe Wereld en geschriften van zoveel gekende humanisten. Bovenal maakte hij zich verdienstelijk als uitgever van de jonge Erasmus. Levenslang zullen beiden intieme vrienden blijven en samenwerken voor de verspreiding van het humanisme.

Grafsteen Dirk Martens

In Antwerpen en Leuven werd Martens’ atelier tevens een centrum van cultureel leven, waar auteurs en correctoren verbleven, waar nieuws en teksten werden uitgewisseld, waar vooral een vriendenkring ontstond.

In Antwerpen werd aldus een traditie geschapen die van de nieuwe metropolis een Sinjorenstad maakte: Martens’ leerling Pieter Gillis of Aegidius, zijn stadsgenoot Cornelius De Schrijver of Grapheus en nadien een derde Aalstenaar Pieter Coecke waren niet alleen stadsambtenaren, maar tevens welsprekende getuigen van de renaissancistische bloei van de stad Antwerpen, die in brieven, redevoeringen en akten een humanistische stijl aanhield, die bij plechtige intochten grootse feesten organiseerde waarbij, volgens het oorspronkelijk renaissancistisch idee van de artiest als "Uomo Universale" in praalbogen en stoeten, in prenten en gedenkboeken, in verzen en spelen, als de kunsten, van het toneel tot de architectuur en de schilderkunst, van de muziek tot de drukkunst in een veelzijdig artistiek gebeuren samensmelten.

Dirk Martens postzegel

In Leuven ging zijn aandacht vooral naar het talenonderricht en de student. Hij streefde ernaar goedkope, handzame maar wetenschappelijk goed verantwoorde edities op de markt te brengen. Hij democratiseerde het boek, ijverde meteen voor een moderne methodiek in het onderricht en voor een functionele typografie. Hij zorgde er ook voor zichzelf een studentikoos imago te geven. Enerzijds als de idealistische ploeterende Vlaming die de academiebevolking het beste van het beste aanbiedt in bescheiden formaten en hierbij enkel aanspraak maakt op een eenvoudige boterham. Anderzijds als de gulle compagnon die serieus werkt maar een goed glas wijn niet versmaadt. Maar daarnaast is er ook de gelovige die ijverde voor een irenisch christendom dat een oog en een hart had voor al wat menselijk is.

Op de plaats waar Napoleon I de vrijheidsboom had geplant, werd op 6 juli 1856, in het bijzijn van de Hertogen van Brabant, het standbeeld van Dirk Martens onthuld.

Het beeld is van de hand van beeldhouwer Jean Geefs en werd bij Vittoz te Parijs in brons gegoten. De verkleuring van het brons geeft aan het beeld de specifieke Aalsterse naam van "De zwarte man".

Standbeeld Dirk Martens

Maar laten we "onzen Dirk" zelf aan het woord met een greep uit zijn ontboezemingen gericht tot de lezer die hij in sommige voor- en nawoorden van zijn uitgaven afdrukte.

"Al wat mij buiten mijn professionele aktiviteit aan vrije tijd overblijft, besteed ik gewoonlijk aan het bevorderen van de cultuur. Ziende hoe sommige leraren de schoonste jaren van de jeugd verdrinken in gecompliceerde en stijve grammaticaregels, heb ik me aan het uitgeven gezet van het Gespreksboekje - een geschikt werkje om zich de dagelijkse taalvaardigheid eigen te maken, van wie het dan ook moge wezen of uit welke auteur men het ook moge samengebracht hebben. Ik heb het op vele plaatsen gecorrigeerd en uitgebreid, zodat men niet moet menen dat in deze editie niets nieuws te vinden is. Door de stroeve grammaticaregels worden velen afgeschrikt van de studie der talen. En toch, zonder deze loopt alle andere wetenschapsbeoefening mank. De beste manier om een taal te leren is ze spreken. Welnu, ik bied u dit werkje aan en hoop, als er interesse voor bestaat, er nog betere te bezorgen".

"Want nergens is het meer aangewezen dan daar waar het om culturele waarden gaat, dat elk naar zijn eigen vermogen met zijn inbreng zou meewerken en (zoals dat vroeger bij de teerfeesten van de gilden het geval was) dat niemand zou aanzitten zonder zijn duit in het zakje te doen en dat wat men meegebracht heeft, gemeengoed wordt. En als er zijn die zelf niets inbrengen maar zich te goed achten voor wat de anderen aanbrachten en het alleen maar bespuwen en bekladden, die moet men maar bij de varkens laten aanzitten en niet bij de Muzen".

"De meeste drukkers dragen hun werk op, hetzij aan grote heren, hetzij aan hun beste vrienden. Voor mij die niets méér verlang dan de studies aan deze zo bloeiende universiteit, zoveel ik kan, nog te stimuleren, is het uitgemaakt dat ik al mijn publicaties opdraag aan u, de mij zo dierbare jeugd".

"Daar ik bij mezelf overlegde dat niet iedereen in staat is zich een zware boekband aan te schaffen en dat ook als men het kan, het onpraktisch is die overal mee te sleuren, heb ik getracht eveneens op dit punt de studenten tegemoet te komen".
"We hebben dit boek tot een pocket gereduceerd, opdat men het gemakkelijker zou kunnen meenemen en het als een onafscheidelijke gezel de studenten zal vergezellen, thuis, in de vrije tijd of op reis, als ze luieren of als ze wandelen gaan".

"Dirk Martens van Aalst, boekdrukker, aan zijn oprechte lezers, heil. Van hoe groot belang de boekdrukkunst is voor de bevordering van de wetenschapsbeoefening kan reeds het voorbeeld van die ene beroemde Aldus Manutius aantonen. Evenzo trachten ook wij naar vermogen om de Universiteit van Leuven, welke een  rijke bloei vertoont op elk gebied van studie en wetenschap, van dienst te zijn met onze drukkerij. Wij doen onze uiterste best er voor te zorgen dat uit deze werkplaats U boeken bereiken en U kennis en beschaving bij te brengen doch die bovendien zo min mogelijk fouten bevatten. Het is maar al te waar : zekere lieden die, overmatig belust op winst, ongecorrigeerde boeken uitgeven, bewijzen een dubbele ondienst : ten eerste aan de auteurs wier werken zij verzieken en aan een kwade roep helpers en ten tweede aan de lezer, wien zij in plaats van een boek een hersenfoltering aanpraten. Doch moge dit mijn pogen daarentegen met succes bekroond worden. Voor wat hoort wat. Mijn ijver om boeken te drukken zal extra gestimuleerd worden door de gretigheid waarmee U lieden ze koopt. En dat zal geschieden indien voor U de aantrekkelijkheid van een boek niet afhangt van zijn omvang, maar van zijn kwaliteit en van de zorgvuldigheid waarmee het gedrukt is. Vaart wel. Uit onze Leuvense werkplaats, in het jaar 1517".

"Dirk Martens van Aalst groet U, studenten, en geeft U zijn typografische zegen (salutem, et typographicam benedictionem). Hoewel ik geweldig opgelet heb bij de correctie, zo zelfs dat ik allebei m’n ogen gebruikt heb, en onder het werk zelfs ettelijke malen Bacchus ervoor verwaarloosd heb, was toch niet te vermijden dat enkele zetfouten mij ontgaan zijn. De verbeteringen daarvan volgen hier".

"Maar toch zullen geen moeilijkheden mij beletten te ijveren voor ’t nut van het algemeen, zolang de geest van de wijn deze mijne ledematen bestuurt. Nuchter of zat, ik zal volhouden en als het profijt van mijn arbeid mij niet gegund zal zijn, dan zal ik toch dit genoegen smaken dat ik gezorgd heb voor de studerende jeugd".

"En zie, terwijl wij naar hartelust praatten, was Dirk naar hartelust aan het drinken, en werkte intussen flink door, zonder daarbij echter zuinig te zijn met zijn verhalen. Hij sprak, of moet ik zeggen : brulde er tussen door in vrijwel alle talen : in het Duits, Frans, Italiaans en Latijn. Je zou zeggen dat een man uit het apostolisch tijdperk weer opgestaan was. Hij zou zelfs met een polyglot als Hieronymus kunnen wedijveren, zo niet in bevalligheid van spraak, dan toch in veelheid van talen" (Fragment uit een brief van Maarten van Dorp aan Erasmus, 14 juli 1518. Hierin spreekt Dorpius over "Theodorico nostro, Bacchi mystae" onze Dirk, geïnitieerde van Bacchus).

"Ook ik, al oud wordend, na heel mijn leven zo gezwoegd te hebben zo vergrijsd en gerimpeld, ik stel één ding boven alles : godsvrucht, goed wetend dat geen geleerdheid God behagen kan als die er niet bij komt. Zij tilt ons boven onze ruzies uit en stelt ons in staat met heel ons hart Christus te beminnen, de redder van de hele mensheid, en alle mensen als onze broeders".


 naar top van pagina dit artikel afdrukken

 laatst gewijzigd op dinsdag 25 september 2007

Edgard Hooghuys ere-burgemeester 
De heer Edgard Hooghuys was van 1971 tot 1976 burgemeester van de gemeente Nieuwerkerken en van 1977 tot 1982 schepen van de stad Aalst. Daarvoor verleende de Vlaamse regering hem op 28 juni 2005 de eretitel van het ambt van burgemeester van Nieuwerkerken

Edgard Hooghuys kwam samen met zijn echtgenote naar de gemeenteraadzitting waar de gemeenteraad kennis nam van de beslissing van de Vlaamse regering om hem de titel van ere-burgemeester te verlenen. Daar werd hij in de bloemetjes gezet en door alle fracties geprezen. Vooral de manier waarop hij zijn verschillende mandaten bekleedde, namelijk met een streng wakend oog voor het algemeen belang maar steeds bereid tot een goed debat, had ingedruk gemaakt. Maar ook dat hij zich, zowel vanuit de meerderheid als vanuit de oppositie, stevig inzette voor zijn stad en de gemeenschap. Alle kwaliteiten van een goed politicus, cultureel hoogontwikkeld, zeer grote sociale bewogenheid, specialist van de nieuwe gemeentewet, verdediger van de democratie, respectvol, ...Edgard Hooghuys liet zich deze waarderingen graag welgevallen. Op zijn beurt bedankte hij de gemeenteraad voor de huldiging en overhandigde de burgemeester een folder die 30 jaar geleden aan de bevolking werd uitgedeeld. De tekst op de omslag luidt: ‘laat ons allen samen een inspanning doen om de vervuiling tegen te gaan, het lawaai te verminderen, het leefmilieu te beschermen en de gemeente rein te houden’. “Je ziet” aldus Edgard Hooghuys, “dat we toen ook al problemen hadden”. Voor de mandatarissen had hij nog een laatste boodschap : "Zorg voor de meeste lust en de minste last bij de inwoners…."

Rust roest
‘Op rust’ gaat Edgard Hooghuys nog niet. Hij installeerde internet om dagelijks het Belgisch Staatsblad te kunnen raadplegen en is nog altijd zeer actief. Zo is hij effectief lid in de geleding ‘senioren’ van de Gemeentelijke commissie voor Ruimtelijke Ordening en zetelt hij in de Algemene Vergadering en de Raad van Bestuur van het Algemeen Stedelijk Ziekenhuis.


 naar top van pagina dit artikel afdrukken

 laatst gewijzigd op woensdag 7 december 2005

Jan Frans Vonck 

Advocaat J.F. Vonck, bezieler en één der leiders van de Brabantse Omwenteling (1789), werd in 1743 te Baardegem geboren en overleed in ballingschap te Rijsel in 1792. Bij testament deed hij o.a. schenkingen aan de armen van de gemeente en gaf hij opdracht tot stichting van een studiebeurs.

Jan Frans VOnck

In de Sint-Margarethakerk bevindt zich de grafsteen van de familie Vonck en aan de buitenmuur een gedenkplaat ter nagedachtenis van deze belangrijke politieke figuur. Onder impuls van E.H. De Rouck, pastoor van Baardegem, werd op 6 mei 1989, naar aanleiding van de 200ste verjaardag van de Brabantse Omwenteling, door burgemeester A. De Maght-Aelbrecht een beeldje onthuld. Het bronzen beeld stelt Vonck als jeugdige Baardegemse telg voor en is het werk van de Denderleeuwse kunstenaarsfamilie De Groeve.


 naar top van pagina dit artikel afdrukken

 laatst gewijzigd op dinsdag 20 december 2005

Louis Paul Boon 

ZIJN LEVEN EN ZIJN WERK
Louis Paul Boon is geboren op 15 maart 1912 als zoon van Josephus Theodorus Boon en Estella Constantina Verbestel, beiden oorspronkelijk afkomstig uit Aalst. Boons vader voorziet in zijn levensonderhoud als rijtuigschilder, maar schakelt over op het schilderen van auto’s wanneer die het rijtuig verdringen. Boons grootvader is de schoenlapper Sooi Boon, die zijn kleinzoon tal van volksverhalen vertelt. Op die manier maakt Louis kennis met de verhalen over Jan De Lichte, een figuur die hem nooit meer los zal laten en die de hoofdpersoon wordt van zijn romans ‘De bende van Jan De Lichte’ (1953) en ‘De zoon van Jan De Lichte’ (1961).

Portret L.P. Boon door M. Roggeman

Portret van L.P. Boon door Maurice Roggeman

Als kind is Louis niet bepaald een lichamelijk sterk jongetje. Hij is nogal eens ziek en dat betekent dat hij vaak thuis is en veel leest. Al lezend doet hij indrukken op die voor een belangrijk deel zijn geest hebben gevormd, maar het is vooral zijn directe omgeving die daar een rol in gespeeld heeft. Voor ‘De Kapellekensbaan’ (1953) en ‘Zomer te Ter-Muren’ (1956) hebben een hele reeks figuren uit Aalst model gestaan die Boon in zijn jeugdjaren heeft gekend. Een van de belangrijkste personages in deze roman is Ondine, die getrouwd is met beeldhouwer Oscar. Welnu, deze Ondine was oorspronkelijk een vrouw die in Boons buurt gewoond heeft en die Boon versmolt met zijn jeugdliefde, zijn nichtje Elske.

Ondineken

Beeld van kunstenaar Frans De Vree

Als Boon zijn lagere schoolopleiding heeft voltooid, bezoekt hij de Vrije Technische School in Aalst. Het is de bedoeling dat hij er het vak van autoschilder zal leren om in de toekomst zijn vader te helpen. Na enige tijd wordt hij echter van deze school verwijderd omdat hij boeken leent uit het liberale Willemsfonds. Nu lagen Boons ambities bepaald niet bij het autoschilderen, ook zal hij later voor zijn broodwinning nog veel gevelschilderwerk te verrichten hebben. Boon wil liever kunstschilder worden en in 1926 krijgt hij toestemming om zich in te schrijven bij de Academie voor Beeldende Kunsten in Aalst. Hier zal hij Maurice Roggeman leren kennen met wie hij later bij De Roode Vaan heeft samengewerkt en met wie hij het stripverhaal ‘Proleetje en fantast’ verzorgde. Met Roggeman, Bert Van Hoorick, Robert Van Kerckhoven, Karel Colson en anderen ontstaat een kleine groep van sterk sociaal bewogen jongeren die hun trefpunt vinden in een clubhuis dat De Vlam wordt genoemd. Uit deze groep ontstaat een vrij hechte Aalsterse jeugdafdeling van de Communistisch Partij, de ‘Komsomol’. Het moeten vooral deze vriendschappen zijn geweest die Boon naar De Vlam trokken, want een echte communist is hij nooit geweest. Daarvoor was Boon een te sterke individualist en had hij teveel een tegenzin tegen elke vorm van systeemdenken. Omdat de inkomsten van het gezin Boon niet groot zijn en het intussen wel met nog een zoon en dochter is uitgebreid, gaat Louis zijn vader assisteren bij het autoschilderen in Brussel. In 1929 echter vinden ze beiden een nieuwe betrekking als onderhoudswerknemers bij de grote brouwerij Zeeberg in Aalst. Hier vindt Boon stof voor zijn roman ‘Menuet’ (1955). 

Louis Paul Boon



Noodgedwongen moet Boon zijn ambities nu uitleven in zijn vrije tijd, wat hem niet belet om veel te schilderen en te schrijven. In 1933 wordt Boon opgeroepen voor militaire dienst. In die periode zal hij zijn vrouw leren kennen, Jeannette Charlotte De Wolf, een zusje van een jeugdvriendje, met wie hij in 1936 trouwt. Uit dit huwelijk wordt hun enige zoon Jo geboren en ook over Jo heeft Boon het in ‘De Kapellekensbaan’. In 1939 wordt Louis opnieuw onder de wapens geroepen en wordt hij gelegerd aan het Albertkanaal. Al in mei 1940 wordt hij krijgsgevangen gemaakt en naar Duitsland getransporteerd, maar kan spoedig naar Aalst terugkeren.
In de bezettingsjaren heeft Boon van alles ondernomen om voor zijn gezin de kost te verdienen. Intussen schreef en schilderde hij verder. Het is uiteindelijk zijn vrouw die de papieren van het typoscript van de roman ‘De Voorstad groeit’ (1942) onder zijn handen weghaalt en opstuurt aan de jury van de Leo J Krynprijs. In die jury zat toen de schrijver Willem Elsschot die tijdens de lezing van Boons tekst zo enthousiast was dat hij onmiddellijk aan de andere juryleden meedeelde dat er voor hem slechts één winnaar was: Boon. Boon kreeg de prijs en vanaf dat moment stond zijn besluit vast: hij zou voortaan van zijn pen leven. Dit wil niet zeggen dat de financiële nood voor het gezin voorbij was. Voor Boons schrijverschap breken nu wel de meest productieve jaren aan.

Na de tweede wereldoorlog krijgt hij dankzij vrienden een aanstelling als medewerker van het communistische blad De Roode Vaan. Aan dit blad zal hij allerlei culturele bijdragen leveren, zoals besprekingen van grote moderne kunstenaars. Wanneer echter door de achteruitgang van het ledenbestand van de partij bij De Roode Vaan gesaneerd moet worden, vliegt Boon als eerste de deur uit. Opnieuw met hulp van vrienden krijgt hij een aanstelling bij het uit het verzet voortgekomen weekblad Front, waar hij redactiesecretaris wordt.

Kapel Termuren

Kapel Termuren op de Kapellekensbaan

Boon is zijn leven lang in staat geweest om zijn journalistieke werk te combineren met zijn scheppend werk. Bij Boon lopen die activiteiten ook vaak door elkaar, want veel van zijn journalistieke bijdragen zijn in zijn scheppend werk terug te vinden. Dat heeft trouwens veel te maken met Boons opvattingen over het schrijverschap. Vrijwel van het begin af aan heeft Boon zich gekeerd tegen schrijvers die erop uit zijn om alleen maar een mooi verhaal te vertellen. In een van zijn recensies schrijft hij at het toch al te gekunsteld is om een roman te schrijven en intussen van alles te beleven zonder daar bij het schrijven rekening mee te houden. In De Roode Vaan roept hij mensen op om hun belevenissen aan het papier toe te vertrouwen en later in het tijdschrift Tijd en Mens vraagt hij zijn lezers hem documenten uit het dagelijks leven toe te zenden. Roman en dagelijks leven zijn bij Boon dan ook direct met elkaar verbonden. Boons leven en zijn onmiddellijke omgeving zijn als stukjes van een legpuzzel verwerkt in de romans die hij schrijft.

Louis Paul Boon


Later zal hij zich meer en meer toeleggen op het schrijven van grote documentaires. Vanaf ‘Pieter Daens’, Boons visie op de Daensistische beweging in Aalst, verschijnen boeken als ‘De Zwarte Hand’, ‘Het jaar 1901’ en ‘Het Geuzenboek’. Het lijkt erop dat Boon er van het begin af aan op uit geweest is om een sociale geschiedenis van Aalst en omgeving te schrijven, want van middeleeuwen ‘Wapenbroeders’ tot heden ‘Zomer te Ter-Muren’ komen alle eeuwen in zijn werk aan bod.
Vlak voor hij stierf verzamelde Boon nog materiaal voor een roman die ‘De Kasteelheertjes’ zou gaan heten en die opnieuw een belangrijke Aalsterse familie als onderwerp zou krijgen. Hij heeft deze roman niet meer kunnen voltooien, want aan zijn werktafel werd hij door een hartaanval getroffen.

Boon was een echte Aalstenaar. Niet alleen was hij er geboren en getogen, hij kende de stad en haar geschiedenis door en door. Aalst was om zo te zeggen zijn belangrijkste inspiratiebron en zijn werk is dan ook doortrokken met alles wat Aalst hem te bieden had uit heden en verleden.
Voor tal van werken dook Boon in het stadsarchief van Aalst om er zich grondig te documenteren. Maar Boon putte allerminst alleen uit stoffige archieven om er de sociale geschiedenis van Vlaanderen mee te reconstrueren, ook allerlei figuren uit het levende Aalst verschaften hem stof voor de personages waarmee hij zijn romans bevolkte. Maar hoewel Boons werk voor het overgrote deel in Aalst en omgeving speelt, is hij erin geslaagd boven het plaatsgebonden regionale uit heffen. Zijn werken werden vertaald in het Frans, Duits, Engels en Russisch.

Standbeeld van Boon

Standbeeld door kunstenaar De Bruyn

Bron: ‘Boon, 10 jaar later’ , Aalst, 1989


Aalst.be artikels

 naar top van pagina dit artikel afdrukken

 laatst gewijzigd op woensdag 1 februari 2006

Pieter Coecke 
Pieter Coecke werd te Aalst geboren op 4 augustus 1502, als zoon van Jan Coecke en Ida De Pauw.  Hij stamde uit een voorname familie, waarin naast kunstenaars ook politici voorkwamen. Sommige bronnen vermelden zijn vader als ’schepen der stad Aalst’; andere leden van de familie Coecke bezetten van 1601 tot 1680 onafgebroken schepenzetels in het stadsbestuur van zijn geboortestad.

De jonge Pieter was mogelijk leerling van Barend van Orley te Brussel, één der belangrijkste kunstenaars uit zijn tijd (schilder, tapijtontwerper). Daarna trok hij allicht naar Italië om er zich verder te bekwamen. Zijn latere kunstuitingen waren in elk geval grondig doordrongen van een zuiderse renaissancegeest en hij kende vlot Italiaans. 

Pieter Coecke van Aelst

Rond 1525 vestigde de jonge kunstenaar zich te Antwerpen, waar hij huwde met Anna Mertens van Dornicke, dochter van de Antwerpse schilder Jan van Dornicke.  Deze laatste leidde er een bloeiend schildersatelier en alles wijst er op dat Coecke medewerker werd in deze werkplaats. Van Dornicke werkte niet meer op bestelling zoals vorige generaties schilders. Met zijn ateliermedewerkers vervaardigde hij voor de vrije markt bestemde schilderijen, die hij zelf te koop aanbood in een eigen ‘winkelruimte’. Hierdoor was de keuze aan onderwerpen van de schilderijen eerder beperkt: populair waren afbeeldingen van Maria met kind en ‘De Aanbidding der Koningen’.

In 1527 werd Coecke vrijmeester van de Antwerpse Sint-Lucasgilde.  Allicht nam hij na de dood van zijn schoonvader de leiding van diens atelier over.

Pieter Coecke

Pieters echtgenote, die reeds rond 1528 overleed, liet hem twee zonen na: Peter en Michiel, beiden ook schilders. Door een buitenechtelijke relatie met Antonia van der Sant had Pieter Coecke nog twee zonen (Pauwel en Antoon, tevens schilders) en een dochter. Hierna huwde hij rond 1538 met Mayke Verhulst Bessemers, een bekende miniatuurschilderes uit Mechelen, die hem drie kinderen schonk waarvan een dochter later zal huwen met Pieter Bruegel de Oude.

In opdracht van de Brusselse tapijtwever en –handelaar Demoyen (of Van der Moyen) ondernam Pieter Coecke in 1533 een toen gewaagde reis naar Turkije.  Allicht diende hij het recept mee te brengen van verfprocédés van wol. Mogelijks hoopte zijn opdrachtgever ook op bestellingen vanwege de sultan of zijn omgeving, wat echter niet lukte. In ieder geval maakte Coecke een zware, gevaarlijke reis door de Balkan naar Istanbul, het oude Constantinopel, waar hij ongeveer een jaar verbleef. Hij maakte van deze onderneming een aantal tekeningen, die zijn weduwe later als houtsnedenreeks uitgaf. Hierop gaf hij zeer natuurgetrouw weer wat hij tijdens deze fascinerende reis gezien had; vooral het stadsgezicht van Istanbul is indrukwekkend.

Na deze reis vestigde Coecke zich opnieuw in Antwerpen. Hij was nu op het toppunt van zijn kunnen: in 1537 werd hij deken van de schildersgilde Sint-Lucas. Tevens werd hij benoemd tot hofschilder van keizer Karel V en van Maria van Hongarije. Het stadsbestuur van Antwerpen betaalde in 1541-52 aan Pieter van Aalst (Coecke), samen met enkele andere kunstenaars een som geld voor het introduceren in de stad van ‘nieuwe ambachten’ en om deze te onderwijzen aan de jeugd. Het ging hier meer dan waarschijnlijk om het ontwerpen van tapijt- en glasraamkartons: ontwerpen op ware grootte waarnaar de ambachtelijke uitvoerder (tapijtwever of glazenier) het werk diende uit te voeren. Coecke had deze techniek geleerd te Brussel, toen hét centrum van tapijtweefkunst. Het was trouwens reeds in 1516-17 dat Pieter van Aelst alias van Edingen (niet te verwarren met Pieter Coecke van Aelst!), een befaamd tapijtwever- en handelaar, te Brussel de tapijtenreeks ‘De Handelingen van de Apostelen’ weefde. Deze reeks was besteld door paus Leo X voor de Sixtijnse kapel. De beroemde Raphael had de voorstellingen ontworpen en geschilderd; voor de uitvoering deed men een beroep op de meest gereputeerde wevers van Europa. Deze ontwerpen hadden een enorme invloed op de ontwikkeling van de kunst ten noorden van de Alpen: ze luidden als het ware met één breed gebaar de Hoog-Renaissance in. Het is zeer waarschijnlijk dat ook Coecke deze werken te Brussel zag.

Pieter Coecke ontplooide in zijn loopbaan een zeer veelzijdige activiteit, geheel in de geest van de ‘universele mens’ van de Renaissance. Hij was schilder en leidde in die hoedanigheid een bloeiend atelier. Hij maakte ontwerpen voor wandtapijten en glasramen en was waarschijnlijk ook bedrijvig als architect. Zijn belangrijkste activiteit was echter te situeren op het theoretische vlak: hij vertaalde immers de boeken van Sebastiano Serlio over de architectuur uit het Italiaans in het Nederlands en Frans en toonde zich hierdoor de baanbreker en verspreider van de renaissancekunst in de zuidelijke Nederlanden. Serlio, een Italiaans schilder en architect, had te Venetië in 1537 een rijk geïllustreerd architectuurtraktaat gepubliceerd. Dit was gebaseerd op het werk van de Romeinse architect en theoreticus Vitruvius, waardoor de kennis van de Grieks-Romeinse bouwkunst opnieuw verspreid werd. Door de talloze illustraties was het meer dan een louter theoretisch werk; het was echt een praktische handleiding voor de architect. Reeds twee jaar later, in 1539, bracht Pieter Coecke een Nederlandse vertaling en bewerking van dit werk op de markt onder de titel ‘Generale Regelen der Architecturen op de vyve manieren van edificien, te weten, Thuscane, Dorice, Ionica, Corinthia ende composita, met den exemplen der antiquiteiten die int meeste deel concorderen met de leeringhe van Vitruvio’. In 1541 bracht Coecke ook een Franse vertaling op de markt; in 1542 volgde een Duitstalige versie.  Deze werken werden trouwens uitgegeven zonder toestemming van Serlio zelf, wiens eigen Franse uitgave uit 1545 door deze piraatuitgaven slechts weinig succes kende.  Het belang van dit werk kan nauwelijks overschat worden: hierdoor kan Pieter Coecke gerust beschouwd worden als de invoerder en verspreider van de renaissancestijl in architectuur en decoratieve kunsten in de Nederlanden.

Van Pieter Coecke bleef geen enkel gesigneerd schilderij bewaard. Alle werken die op zijn naam staan zijn dus toeschrijvingen. Bovendien had Coecke een uitgebreid atelier met vele medewerkers die de werkten naar het model van de meester volledig of gedeeltelijk schilderden. Toch werd in de loop der jaren een heel oeuvre toegeschreven aan Pieter Coecke. Het lijkt logisch dat de beginjaren van de kunstenaar nog gekenmerkt werden door invloeden uit zijn opleiding of aan de stijl van zijn schoonvader, in wiens atelier hij werkzaam was.  Later vond hij zijn eigen stijl, waarin de invloeden van de Italiaanse Renaissance vermengd werden met de Vlaamse tradities.  Het ambachtelijke in de kunst interesseerde hem echter minder; hij wou voor alles ‘kunstenaar’ zijn.

Wegens zijn activiteit op verschillende gebieden van de kunst, die hij alle met evenveel succes betrad, nam Coecke een uitzonderlijke plaats in in de geschiedenis van de Vlaamse kunst uit de zestiende eeuw.

Pieter Coecke overleed op 6 december 1550 te Brussel, en werd er begraven in de Sint-Gorikskerk.  Zijn weduwe zette zijn activiteit als uitgever verder, terwijl zoon Pieter het schildersatelier overnam.


 naar top van pagina dit artikel afdrukken

 laatst gewijzigd op maandag 1 december 2008

Priester Adolf Daens 

Geboren in 1839 als zoon van een leidekker en winkelier, die naast Adolf nog twee zonen (Augustus en Pieter) en drie dochters (Marie-Francisca, Leonie en Paulina) had. Zijn broer Augutus werd priester voor Adolf. Zijn jongere broer Pieter was drukker-uitgever. Priester Daens kreeg zijn opvoeding aan het Aalsterse Jezuïetencollege, waar hij primus perpetuus was.

In 1859 trad hij te Drongen binnen in het noviciaat van de jezuïeten, waar hij vrij spoedig het ambt van adjutor-professor kreeg toegewezen. Tussen 1862 en 1871 was hij gedurende vijf schooljaren leraar aan jezuïetencolleges van Antwerpen, Bergen en Turnhout en gedurende drie academiejaren student filosofie en theologie in Leuven. Moeilijkheden met zijn oversten leidden ertoe dat hij in 1871 ontslagen werd uit de jezuïetenorde, zeer waarschijnlijk na spanningen omtrent de opgelegde discipline. Daens verzette zich vruchteloos tegen zijn uitsluiting, maar bereikte anderzijds wel dat hij nog tijdens datzelfde jaar werd toegelaten tot het grootseminarie van Gent, waar hij in 1873 tot priester werd gewijd. Intussen bleven nieuwe pogingen om aanvaard te worden bij de jezuïeten zonder resultaat.

Na zijn priesterwijding werd hij retoricaleraar aan het Onze-Lieve-Vrouwcollege van Oudenaarde (1873), onderpastoor in Sint-Niklaas (1876) en Kruishoutem (1878), retoricaleraar aan het Heilige Maagdcollege in Dendermonde (1879 – 1888). Maar nergens voelde hij zich lange tijd thuis. Toen in april 1893 in Okegem de Christene volkspartij werd gesticht, vroeg zijn broer Pieter hem om het programma op te stellen. Priester Daens werd morele leider en het boegbeeld van de nieuwe partij; volksvertegenwoordiger voor het arrondissement Aalst van eind 1894 tot 1898 en voor het arrondissement Brussel van 1902 tot 1906.
Maar tegelijk kwam hij in conflict met de conservatieven, de officiële Katholieke partij (Charles Woeste en Leo de Bethune), en als priester met de hogere geestelijkheid en met het Vaticaan. Ook koning Leopold II ageerde achter de schermen tegen hem.

Familie Pieter Daens

De aanhangers, sympathisanten en volgelingen van de Christene Volkspartij werden voor ‘daensisten’ uitgescholden. Begin december 1898 werd hij door de Gentse bisschop Antoine Stillemans gesuspendeerd (geschorst). Mee als reactie op die verguizing werd hij op het kerstcongres van 1898 in Antwerpen verkozen tot voorzitter van de Vlaamsch-Christene Volkspartij, een ‘daensistische’ partij die zich tot heel Vlaanderen richtte.

Hij zette zich in voor de belangen van de boeren, kleine middenstanders, dorpsintellectuelen en arbeiders; voor de werklieden in de steenbakkerijen van de Rupelstreek en in het Pajottenland, voor de ‘fransmans’ in Oost- en West-Vlaanderen en voor de hopboeren in het Pajottenland.
Hij werd erevoorzitter van een christen-democratische steenbakkervakbond in Brussel (1895) en in Boom (1897) en voorzitter van de Brusselse arrondissementsbond (1900)

Postzegel Daens   Standbeeld Daens

In het parlement klaagde hij de sociale wantoestanden aan en pleitte hij voor politieke en economische hervormingen. Hij bestreed het systeem van de loting en verzette zich tegen de overname van Kongo door België. Hij wilde een gelijke subsidiëring voor gelijke prestaties in het officieel en het vrij onderwijs. Hij was één van de eerste volksvertegenwoordigers die Nederlands sprak in de Kamer en hij diende in november 1905 het eerste wetsvoorstel in voor de vernederlandsing van de Gentse universiteit.

Priester Daens

In de daensistische beweging vertegenwoordigde hij de gematigde strekking (daensisme), die steeds bereid was tot een compromis met de Bewarende Vereeniging (Katholieke partij). Maar hij wilde geen toegevingen doen op fundamentele kwesties, en een eervol compromis werd mettertijd erg moeilijk door de tegenkanting en vervolging van conservatieve zijde. Voor de realisatie van rechtvaardige sociale verzuchtingen wilde hij meewerken met socialisten en liberalen, en hij nam financiële steun aan van liberalen. Maar op het ideologisch vlak distantieerde hij zich duidelijk van hen.

Na 1900 raakte hij in zijn partij steeds meer geïsoleerd. Daens had door de onverminderde hetze tegen zijn persoon vele aanhangers verloren, en hij had zich gecompromitteerd toen hij in oktober 1899 deelnam aan de gemeenteraadsverkiezingen in Aalst op een lijst met socialisten en liberalen. In 1906 werd hij niet meer herkozen als volksvertegenwoordiger en zat hij financieel aan de grond. Op 14 juni 1907 stierf hij.

Op 13 september 1908 werd in Aalst een grafmonument voor priester Adolf Daens en een bronzen borstbeeld onthuld. In september 1957 werd op de Werf in Aalst een standbeeld voor hem onthuld, een werk van de Aalsterse beeldhouwer Marc De Bruyn.

Grafsteen Priester Daens   

 


 naar top van pagina dit artikel afdrukken

 laatst gewijzigd op woensdag 3 september 2008

Valerius De Saedeleer 

JEUGD & ZWERVERSJAREN (1867 - 1889)
Valery Victor Emilianus Maria De Saedeleer wordt op 4 augustus 1867 geboren als zoon van Ludovicus Jacobus en Johanna Catharina Borreman, in een nu verdwenen huis aan de hoek van de Nieuwstraat en het Vredeplein te Aalst. Zijn vader bezit er een klein sodafabriekje en zeepziederij, en kan getypeerd worden als exponent van een burgerlijk, kleinstedelijk milieu. Snel blijkt de jonge, levendige Valery moeite te hebben met dit traditionele, benepen bestaan, en de conflicten met vader en opvoeders stapelen zich dan ook op.

Van 1877 tot 1883 volgt hij les aan de Rijksschool van zijn geboortestad, waar hij wegens té levenslustig en ongeïnteresseerd in studeren als slecht student geboekstaafd staat. De lessen aan de Stedelijke Academie voor Schone Kunsten te Aalst interesseren hem meer, maar zijn ouders willen niet horen van een artistieke loopbaan voor hun wispelturige zoon. Op vijftienjarige leeftijd verlaat hij de schoolbanken, en wordt door z’n vader gedwongen een aanvaardbaar beroep aan te leren. Hiertoe wordt hij als leerjongen tewerkgesteld bij de Gentse weverij De Leener (1883-1885), en tevens dient hij lessen weefkunde te volgen aan de Nijverheidsschool te Gent.

Hij schrijft zich echter zonder medeweten van z’n ouders in aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten van Gent. Het academische onderricht ligt hem echter niet, en naar eigen zeggen leert hij er bitter weinig. Belangrijk is wel dat hij hier kennis maakt met George Minne, met wie hij levenslang bevriend zal blijven.

In 1885 verlaat hij de Gentse academie en breekt met zijn teleurgestelde vader. De jonge aspirant-kunstenaar trekt naar Brussel en gaat er in de leer bij de populaire, uit Dendermonde afkomstige landschapsschilder Franz Courtens (1854-1943). Hij werkt in diens atelier en leert er al doende alle knepen van de schildersstiel. Courtens’ vlotte combinatie van een gematigd impressionisme met gedegen naturalisme, uitgewerkt in een levendige, smeuïge, bijna autonome penseelstreek bepalen zeer sterk de stijl van de eerste vijftien jaren van De Saedeleers schilderkunst. De té zware stempel van zijn leermeester resulteert er echter in dat De Saedeleer in deze jaren niet verder komt dan een slaafs epigonisme, zonder het meesterlijke niveau van het origineel te benaderen. Zoals zovelen zit hij op een doodlopend pad, en brengt een oppervlakkige kunst voort, zonder eigen inbreng, zonder diepgang. Samen met Courtens onderneemt hij verschillende studie- en schilderreizen doorheen Vlaanderen en Nederland om er in open lucht pittoreske hoekjes en de snelwisselende lichteffecten vast te leggen.

Op 14 november 1889 huwt de jonge bohémien te Aalst Clementina ’Clemmeke’ Limpens (1867-1930), een kruideniersdochter uit Erembodegem. Haar vader geeft haar als bruidsschat een belangrijke som geld mee, waarmee het jonge koppel een kruidenierszaak opzet in Blankenberge. Zeer snel volgt het faillissement, en breekt een zwervend, armoedig bestaan aan. We vinden hen onder andere terug in Blankenberge, Wenduine, Damme en Gent. In 1892 woont het echtpaar te Afsnee, en van april tot oktober 1893 te Sint-Martens-Latem in het kleine hoveniershuisje van de villa ’De Populier’ aan de Kortrijkse Steenweg. In bijeenkomsten in het ex-klooster van de Geschoeide Karmelieten in het Patershol ontmoet hij opnieuw zijn vriend George Minne, alsook de jonge student Karel Van de Woestijne. In deze periode vlucht het echtpaar naar het platteland, waar ze hopen door een innige verbondenheid met de natuur tot rust te komen.

Van september 1895 tot 1898 wonen ze te Lissewege, waar ze in hun levensonderhoud voorzien door kippen te kweken. Valerius neemt het penseel opnieuw op en knoopt weer aan bij de door Courtens geïnspireerde schilderstijl. Een gevoel van ontevredenheid blijft echter hangen, zowel geestelijk als artistiek. De landschappen die hij in deze -en vorige- jaren schildert zal hij later zelf als waardeloos beschouwen: de compositie is te gewoon, de kleur is te hard, de stemming is te koud, en vooral missen ze een eigen persoonlijkheid. Hij zal zelfs proberen deze werken later terug te kopen en te vernietigen.

Valerius De Saedeleer



SINT-MARTENS-LATEM (1898 - 1908)
Door toedoen van gemeentesecretaris Albijn Van den Abeele, een vroegere kennis, huurt hij er een kleine witte hoeve aan de Leie, achter de kerk nabij de ’Tempelhoeve’. Samen met zijn echtgenote, en met financiële steun van mecenas Hector Van Houte (een Gents apothekerkunstliefhebber) zet hij er opnieuw een kippenkwekerij op.
Hij wil zich echter opnieuw volop wijden aan de schilderkunst en tracht hierin -voorlopig tevergeefs- een eigen stem te vinden.
In deze periode is Latem een zeer bescheiden dorpje van ca. 1500 inwoners, hoofdzakelijk kleine keuterboeren. Het ligt zo’n 10 km van Gent verwijderd, maar door de slechte verbindingen kent het toch een tamelijk geïsoleerd bestaan. De ongerepte natuur, de landschappelijke verscheidenheid (akkers, bossen, weiland, rivier) én het goedkope, eenvoudige leven trekken verschillende stedelingen aan.

Spoedig komen zijn vriendenartiesten Valerius De Saedeleer één voor één te Latem vervoegen. Zoals hij, zijn ook zij op zoek naar de idyllische rust van het platteland, weg van de revolutionaire onrust van de stad. Eind 1989 Maurits Niekerk, midden 1899 George Minne, voorjaar 1900 Karel Van de Woestijne en Julius De Praetere, en iets later Karels broer Gustave Van de Woestijne. Nadien volgen nog Alfons Dessenis en Albert Servaes (1904).

In Latem zien we een kleine, hechte groep kunstenaars die zich geestelijk verbonden weten door enkele gemeenschappelijke ideeën, maar die toch geen ’school’ vormen. We bemerken immers géén eenheid van stijl, géén uitgewerkt manifest, géén groepstentoonstellingen. Artistiek gaat ieder zijn eigen weg, maar bij allen bemerken we een zelfde natuurgevoel, een zoeken naar eenvoud, oprechtheid, verinnerlijking en zuiverheid. Typisch voor Sint-Martens-Latem is tevens de gezamenlijke mystieke belevingswereld, die onder invloed van dorpspastoor Van Wambeke -een gecultiveerd en ruimdenkend man- wordt gekanaliseerd naar geloofsijver en religieuze verdieping. Artistiek zien we een reactie tégen de heersende artistieke conventies, tégen het modieuze impressionisme en luminisme, tégen het vrijblijvende van de oppervlakkig-zintuigelijke kunst, tégen het academisme.

Het is vooral de figuur van George Minne, die toen reeds zijn œuvre grotendeels verwezenlijkt had en op een grote erkenning -zelfs internationaal- kon rekenen, die de overigen inspireert. De intellectuele input komt echter hoofdzakelijk van de zeer belezen Karel Van de Woestijne. Overigens blijft ook het contact met de nationale en internationale kunstscène bewaard, ondanks het zelfgekozen isolement: geregeld bezoekt men tentoonstellingen, toneel- en muziekvoorstellingen te Gent en in binnen- en buitenland.

Het verblijf van Valerius De Saedeleer te Sint-Martens-Latem kunnen we opdelen in twee periodes met 1904 als scharnierdatum. Vóór 1904 maakt De Saedeleer achter zijn kenmerkende masker van goedlachsheid en vriendelijkheid een ernstige morele en artistieke crisis door. De zwarte armoede houdt aan. Ook met zijn schilderkunst kan hij zijn gezin niet onderhouden. Hij slaagt er echter niet in een eigen stijl te ontwikkelen, en voelt zich steeds ongemakkelijker in zijn Courtens-epigonisme.

Artistiek kunnen we twee belangrijke nieuwe inspiratiebronnen aanduiden. Er is vooreerst de ’Tentoonstelling van Vlaamsche Primitieven en Oude Kunst’ te Brugge, die hij tussen 15 juni en september 1902 verscheidene keren bezoekt, en waarin hij vooral getroffen wordt door de zin voor stilte, sereniteit en evenwicht. Ook de technisch perfecte werkwijze van de oude Vlaamse meesters, met zorgvuldige tekening, precieze factuur en gladde glacisafwerking inspireert hem uitermate. Vooral de panoramische, universele landschappen van Pieter Bruegel de Oude met hun tijdloze schoonheid en natuurlijke grootsheid zullen erg belangrijk blijken.

Op het jaarlijkse Salon te Parijs (’XIIIe Exposition de la Société Nationale des Beaux-Arts’) in 1903 stelt De Saedeleer enkele landschappen tentoon. Hij wordt er getroffen door de hier aanwezige, uitgestrekte vergezichten van de Franse landschapsschilder Emile René Menard (1862-1930). Hij ontdekt hier de tekortkomingen van zijn eigen werk, en tracht vanaf nu het gehéle karakter van een landschap weer te geven aan de hand van panoramische vergezichten in plaats van close-ups. De typische oppervlakkige Courtens-stijl wordt nu verlaten; begrenzing en nabijheid wijken voor openheid en onmetelijkheid; decoratieve effecten wijken voor diepgang en eenvoud.

Valerius De Saedeleer


1904 is het jaar van de artistieke doorbraak voor Valerius De Saedeleer, en hierdoor zal hij eindelijk ook commercieel succes kennen. Zelf beschouwt hij het schilderij ’Kalme Avond aan de Rivier’, nu bewaard in het Stedelijk Museum Aalst, als zijn artistieke wedergeboorte en het echte beginpunt van zijn carrière. Sleutelwoord hierbij is ’synthese’: het fragmentarische, anekdotische wordt vervangen door een globale visie op het landschap, waarbij het karakter van een streek wordt weergegeven, eerder dan de toevallige fysische verschijningsvorm. De persoonlijk gevonden innerlijke rust van De Saedeleer uit zich in weidse, kalm voorbijglijdende panorama’s, die zich in volmaakte stilte hullen en een tijdloos aspect bevatten. Hierbij staat de compositie, de evenwichtige opbouw van het schilderij centraal: kleur, licht en techniek zijn ondergeschikt aan het streven naar eenheid. Om dit te bereiken reduceert hij het kleurenpalet, vereenvoudigt hij de vormen en laat onnodige details weg.

Technisch gaat De Saedeleer een immense aandacht besteden aan de ambachtelijke perfectie, in navolging van de sterk bewonderde oude meesters. Nadat de compositie tot in de kleinste details voorbereid is, wordt een precieze, gedetailleerde tekening aangebracht met scherp potlood. Hierna worden zeer effen dunne verflagen aangebracht, waarover subtiele glacislagen (transparante verf) komen. Hierbij wordt er scherp op gelet niet met vlotte penseelstreken te werken, waardoor een ’onpersoonlijk’ handschrift ontstaat. Tenslotte gaat De Saedeleer het oppervlak dikwijls nog gladschuren met puimsteen: een egale verfhuid is zeer belangrijk!

Valerius De Saedeleer gaat nu deelnemen aan belangrijke nationale én internationale tentoonstellingen, waarbij zijn nieuwe werk meestal zeer positief onthaald wordt door kritiek en publiek: het driejaarlijkse ’Salon’ van Antwerpen in 1904, tentoonstellingen te Luik, Brussel, Gent, Antwerpen in 1905, en, via de contacten van George Minne, ook de tentoonstellingen van de avant-gardegroep ’Secession’ te Berlijn, München, Leipzig, Frankfurt en Wenen. In maart 1907 vindt in Gent een eerste solotentoonstelling plaats, en in 1908 stelt hij tevens tentoon in Londen. Het eerder genoemde rivierlandschap wordt nu stelselmatig uitgebreid tot het veelluik ’De Leiebocht’: hierdoor ontstaat een zeer breed frieseffect; iets later neemt hij dit formaat trouwens over in afzonderlijke werken.

Rond 1907-1908 begint De Saedeleer meer aandacht te besteden aan decoratief, kalligrafisch zeer verfijnd uitgewerkt takkenwerk (liefst bladerloos), allicht onder invloed van de winterlandschappen van Bruegel, en van het toen zeer populaire japonisme en Art Nouveau. Dit wordt een typisch handelsmerk van de schilder. Zo tekent hij geslaagde fragmenten over op calqueerpapier om het later te herbruiken in een andere compositie.

Valerius De Saedeleer



TIEGEM (1908 - 1914)
In 1908 verhuist De Saedeleer met z’n gezin (sinds 1901 werden reeds vier dochters geboren, een vijfde komt later ter wereld) naar Tiegem in de Vlaamse Ardennen. Het succes in eigen land houdt aan: hij stelt alom tentoon en de verkoop loopt vlot, ook het museum van Gent en het Stadsbestuur van Aalst kopen werk aan.

Een uitgebreide studie wordt aan zijn werk gewijd (Valéry D’Hondt in ’Nieuw Leven’, 1909), en zelf wordt hij medewerker van het Gentse tijdschrift ’De Boomgaard’ van Paul-Gustave Van Hecke. Ook het buitenlandse succes blijft voortduren: tentoonstellingen in Duitsland en Oostenrijk. Enkele van zijn schilderijen worden (in kleur!) gereproduceerd in het Münchense tijdschrift ’Jugend’, en ook zijn deelname aan de ’Wereldtentoonstelling voor Schone Kunsten’ van Rome in 1911 gaat niet onopgemerkt voorbij. In 1913 ontvangt hij een gouden medaille op het ’Internationaal Salon’ van Wenen.

In 1913 neemt De Saedeleer met enkele werken deel aan de Wereldtentoonstelling van Gent. Eén van de getoonde werken (’Winter in Vlaanderen’) wordt er aangekocht door koning Albert I, die het cadeau wil doen aan zijn echtgenote. De Saedeleer dient het reeds verkochte werk halsoverkop terug te kopen van baron Louis de Bethune alvorens hij het kan afleveren ten paleize.

WALES (1914 - 1921)
Bij het uitbreken van de eerste Wereldoorlog vluchten de families De Saedeleer en Gustave Van de Woestijne naar Engeland. Hier blijkt hij echter moeilijk te kunnen doordringen tot de essentie van het landschap, waardoor zijn schilderkunst er een eerder oppervlakkig karakter bezit. Door de weergave van louter de uiterlijke schoonheid van het landschap produceert hij weliswaar mooie, maar ietwat leegdecoratieve doeken. De synthese en diepgang ontbreken.

ETIKHOVE (1921 - 1937)
Valerius De Saedeleer keert pas in 1921 met z’n gezin terug naar Vlaanderen, en vestigt zich te Etikhove, in het beboste en heuvelachtige land van de Vlaamse Ardennen waar hij spoedig omringd wordt door een groep jonge kunstenaars: o.a. Luc en Paul Haesaerts, Ramah, George Creten, Jean Milo, Jan De Cooman, Paul Maas, Edgard Tytgat, Leo Piron, Charles Leplae, ... . Vooral het menselijke contact is hierbij belangrijk: een groep vrienden die rond een gerespecteerde meester samenkomt en geanimeerde discussiegesprekken houdt.

Valerius De Saedeleer

Op het toppunt van zijn roem wordt Valerius De Saedeleer nu alom erkend als één der gekendste eigentijdse kunstenaars, als waardig voortzetter van de grote Vlaamse kunsttraditie. Hij kent een enorm succes bij vele kooplustigen, en neemt aan talloze binnen- en buitenlandse tentoonstellingen deel.

Hij staat echter minder in de belangstelling van de gespecialiseerde kunstpers die meent dat zijn werk niet meer tot de vernieuwingbrengende avant-garde behoort. Zijn werk uit deze tijd is inderdaad wat decoratiever en clichématiger. De compositie is sterk bestudeerd volgens een steeds terugkerend schema, waardoor de natuur soms herleid wordt tot een mooi plaatje. Hierdoor dreigt de synthetiserende kracht van zijn vroeger werk uiteen te vallen, en het werk te verworden tot een formule. Het sterk door Bruegel beïnvloede winterlandschap overheerst nu duidelijk, en ook het naast elkaar plaatsen van een zomer- en winterversie van een zelfde landschap vallen zeer in de smaak.

In 1930 overlijdt zijn echtgenote, en dit betekent een zeer zware slag voor De Saedeleer, die er een groot deel van zijn legendarische levensblijheid door verliest. Ook zijn eigen gezondheid gaat achteruit, zeker nadat hij in 1935 enkele lichte hartaanvallen te verwerken krijgt. Op 27 juni 1933 beslist de gemeenteraad van zijn geboortestad Aalst hem het ereburgerschap te verlenen, waartoe een tentoonstelling ingericht wordt in de Belfortzaal, en een academische zitting op het stadhuis op 16 juli.

Overigens merken we medio jaren dertig een hernieuwde belangstelling voor het werk van De Saedeleer, wat samenhangt met de ineenstorting van de kunsthandel na de economische crisis van 1932. Voornaamste slachtoffer hiervan is de ’harde’ avant-garde, ten voordele van het wat gematigder, liefelijker werk. Verscheidene auteurs bestuderen nu De Saedeleers œuvre in uitgebreide publicaties: Jean Milo in 1934, André De Ridder in 1937.

LEUPEGEM (1937 - 1941)
Na enkele maanden te Oudenaarde verbleven te hebben, gaat De Saedeleer in 1937 inwonen bij een van zijn dochters te Leupegem, in de ’Villa Ten Berge’. Hij blijft er langzaam doorwerken in zijn gekende en geliefde stijl, en ontvangt in datzelfde jaar de Staatsprijs voor Plastische Kunsten als ultieme bekroning van zijn loopbaan.
In 1940 stelt hij nieuw werk tentoon in Galerij Dietrich te Brussel, dat opvalt door een pregnante en ’jonge’ uitdrukking, wat er op wijst dat de oude meester nog niet uitgeschilderd is. In 1941 wordt De Saedeleer lid van de Koninklijke Academie van België.
Op 26 september van dit jaar overlijdt hij echter te Leupegem en wordt er begraven. Twee jaar later, op 25 juli 1943, worden zijn stoffelijke resten overgebracht naar zijn geboortestad, zoals hij zelf net voor zijn overlijden gewenst had, en onder ruime belangstelling bijgezet in een monumentaal grafmonument opgericht door het Stadsbestuur.


Op 23 april 1999 werd, in het kader van de heraanleg van de Oude Vismarkt te Aalst een De Saedeleer-standbeeld van de hand van Marc De Bruyn ingehuldigd. Een monumentale bronzen figuur staat er nu tussen het Stadsarchief en het Stedelijk Museum Aalst, waar een volledige zaal gewijd is aan de landschapsschilderijen van deze Aalstenaar.

Standbeeld Valerius De Saedeleer


 naar top van pagina dit artikel afdrukken

 laatst gewijzigd op woensdag 1 februari 2006

© 2010 stad Aalst