Sinds een aantal jaren wordt er in de ruimtelijke ordening gewerkt met de zogenaamde ‘
structuurplannen’. Deze bieden een antwoord op de klassieke methode van ruimtelijke ordening, waarbij aan de hand van het
gewestplan en bijzondere plannen van aanleg de bestemming werd vastgelegd. Vlaanderen leeft, de ruimte verandert, en de structuurplanning komt aan deze dynamiek tegemoet.
Structuurplannen bestaan op de
drie bestuursniveaus: één voor heel Vlaanderen, één voor elke provincie en de gemeenten. Elke overheid geeft haar visie over haar bevoegdheden. Het structuurplan

Vlaanderen zal zich beperken tot een visie over de elementen die structuurbepalend zijn op Vlaams niveau. De provinciale en gemeentelijke structuurplannen vormen een verdere detaillering op hun niveau, maar richten zich steeds naar de plannen van een hoger niveau.
Structuurplannen geven een lange termijnvisie op de ruimtelijke ontwikkeling van het gebied in kwestie. Ze leggen dus vooral de ruimtelijke randvoorwaarden vast die de overheid zelf moet volgen als ze plannen maakt: in welke regio wensen we toekomstige bedrijvigheid, voor hoeveel woningen moet nog ruimte bijgemaakt worden, welke open ruimtes moeten beschermd worden, etc.. Structuurplannen veranderen de bestemming van bepaalde percelen niet. Dit gebeurt pas concreet als er
Ruimtelijke Uitvoeringsplannen (RUP’s) opgemaakt worden. Een structuurplan is dus bindend voor de overheid, waar een RUP dit ook is voor de burger.
Het eerste RUP dat voor Aalst werd opgemaakt was een RUP op Vlaams niveau, dus als ‘uitvoering’ van het RSV (zie onder). De stad zelf werkt aan de opmaak van gemeentelijke RUP’s, die steeds in uitvoering zijn van het RSA.
Naast de ruimtelijke structuurplannen, die de verschillende sectoren overkoepelen, zijn er uiteraard ook planningsinitiatieven die minder sectoroverschrijdend zijn, zoals het mobiliteitsplan, afbakening Vlaams Ecologisch netwerk (VEN), groenstructuurplan, etc…