Wat?
Als je een gebouw of constructie wil (ver)kopen, is het van belang te weten of er al dan niet een vergunning voor bestaat is en er dus geen sprake is van een bouwmisdrijf.
Voor oude, reeds lang bestaande gebouwen en constructies is het echter vaak moeilijk om de vergunningstoestand ervan te achterhalen.
Daarom werd in de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening het vermoeden van vergunning in het leven geroepen. Het vermoeden van vergunning maakt het mogelijk om constructies als "vergund geacht” op te nemen in het vergunningenregister. In dat geval wordt dan gedaan alsof voor het gebouw of de constructie een vergunning bestaat, terwijl deze in werkelijkheid niet kan worden voorgelegd.
Er bestaan twee soorten vermoedens van vergunning:
- Het onweerlegbaar vermoeden van vergunning: constructies waarvan kan worden aangetoond dat ze werden opgericht vóór 22 april 1962 genieten het onweerlegbaar vermoeden van vergunning.
- Het weerlegbaar vermoeden van vergunning: constructies waarvan kan worden aangetoond dat ze werden opgericht in de periode vanaf 22 april 1962 en vóór 25 juni 1978 genieten het weerlegbaar vermoeden van vergunning. Het vermoeden kan dus door de overheid weerlegd worden, maar het enige geldige tegenbewijs is een proces-verbaal of een niet-anoniem bezwaarschrift, telkens opgesteld binnen een termijn van 5 jaar na het optrekken of plaatsen van de constructie.
De toepassing van het vermoeden van vergunning is dus afhankelijk van de datum waarop het gebouw of de constructie werd opgericht. De bewijslast hiervoor ligt bij diegene die zich op het vermoeden van vergunning wenst te beroepen.
Wat moet je doen?
Vul volgend formulier in en maak dit aangetekend per post of tegen ontvangstbewijs over aan het college van burgemeester en schepenen: verzoek tot opname als “vergund geacht” in het vergunningenregister (pdf).
Over jouw aanvraag zal normaal gezien binnen de 45 dagen uitspraak worden gedaan door het college van burgemeester en schepenen. Je zal per brief in kennis worden gesteld van de beslissing.